inschenken
werkwoordBetekenis
- een vloeistof in een beker of glas laten stromen
Vervoeging van inschenken
inschenkenhele werkwoord — schonk inverleden tijd enkelvoud — schonken inverleden tijd meervoud — ingeschonkenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | schenk in | schonk in |
| jij | schenkt in | schonk in |
| hij, zij, het | schenkt in | schonk in |
| wij | schenken in | schonken in |
| jullie | schenken in | schonken in |
| zij | schenken in | schonken in |
Alle 83 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is ingeschonken | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was ingeschonken | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd ingeschonken | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt ingeschonken | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal ingeschonken worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal ingeschonken zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou ingeschonken worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou ingeschonken zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had ingeschonken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had ingeschonken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had ingeschonken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden ingeschonken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden ingeschonken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden ingeschonken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt ingeschonken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb ingeschonken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben ingeschonken | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben ingeschonken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben ingeschonken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben ingeschonken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt ingeschonken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft ingeschonken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft ingeschonken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| in te schenken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| in te zullen schenken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| in zal schenken | bijzin, toekomende tijd |
| in zou schenken | bijzin, voorwaardelijk |
| in zouden schenken | bijzin, voorwaardelijk |
| in zoudt schenken | bijzin, voorwaardelijk |
| in zullen schenken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| in zullen schenken | bijzin, toekomende tijd |
| in zult schenken | bijzin, toekomende tijd |
| ingeschonken | verleden tijd, deelwoord |
| ingeschonken te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ingeschonken zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| inschenk | bijzin, tegenwoordige tijd |
| inschenkend | onvoltooid, deelwoord |
| inschenkt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| inschonk | bijzin, verleden tijd |
| inschonken | bijzin, verleden tijd |
| inschonkt | bijzin, verleden tijd |
| schenk in | gebiedende wijs |
| schonk in | verleden tijd |
| te hebben ingeschonken | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen inschenken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal ingeschonken hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ingeschonken hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal ingeschonken hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal inschenken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal inschenken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal inschenken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal inschenken | bijzin, toekomende tijd |
| zou ingeschonken hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ingeschonken hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ingeschonken hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou inschenken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou inschenken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou inschenken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou inschenken | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) inschenken in zou(dt) schenken | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden ingeschonken hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden ingeschonken hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden ingeschonken hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden inschenken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden inschenken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden inschenken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden inschenken | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt ingeschonken hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt inschenken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt inschenken | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen ingeschonken hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen ingeschonken hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen ingeschonken hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen inschenken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen inschenken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen inschenken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen inschenken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen inschenken | bijzin, toekomende tijd |
| zult ingeschonken hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult inschenken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult inschenken | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal inschenken in zult/zal schenken | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van in bw en schenken ww
Woordfamilie van inschenken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| ingeschonken | voltooid deelwoord | inschenken |
| inschenk | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | inschenken |
| inschenke | with-subordinate-clause | inschenken |
| inschenkend | onvoltooid deelwoord | inschenken |
| inschenkende | woordvorm | inschenken |
| inschenkt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | inschenken |
| inschonk | subordinate-clause, verleden tijd | inschenken |
| inschonken | subordinate-clause, verleden tijd | inschenken |
| schenk in | gebiedende wijs | inschenken |
| schenke in | woordvorm | inschenken |
| schenken in | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | inschenken |
| schenkt in | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | inschenken |
| schonk in | verleden tijd | inschenken |
| schonken in | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | inschenken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van inschenken zijn vastgelegd.