inrukken
werkwoordBetekenis
- snel een gebied binnenvallen
- snel vertrekken, met name naar huis, kazerne, kleedkamer, remise e.d.
- tweede betekenisomschrijving
- enz.
Vervoeging van inrukken
inrukkenhele werkwoord — rukte inverleden tijd enkelvoud — rukten inverleden tijd meervoud — ingeruktvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | ruk in | rukte in |
| jij | rukt in | rukte in |
| hij, zij, het | rukt in | rukte in |
| wij | rukken in | rukten in |
| jullie | rukken in | rukten in |
| zij | rukken in | rukten in |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is ingerukt | impersonal, passief, voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon, voltooid |
| er was ingerukt | impersonal, passief, voltooid, verleden tijd, derde persoon, voltooid |
| er werd ingerukt | impersonal, passief, voltooid, verleden tijd, eerste persoon, onvoltooid |
| er wordt ingerukt | impersonal, passief, voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon, onvoltooid |
| er zal ingerukt worden | impersonal, passief, voltooid, toekomende tijd, eerste persoon, onvoltooid |
| er zal ingerukt zijn | impersonal, passief, voltooid, toekomende tijd, derde persoon, voltooid |
| er zou ingerukt worden | impersonal, passief, voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon, onvoltooid |
| er zou ingerukt zijn | impersonal, passief, voltooid, voorwaardelijk, derde persoon, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| hebben ingerukt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| in te rukken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| in te zullen rukken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| in zal rukken | bijzin, toekomende tijd |
| in zou rukken | bijzin, voorwaardelijk |
| in zouden rukken | bijzin, voorwaardelijk |
| in zoudt rukken | bijzin, voorwaardelijk |
| in zullen rukken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| in zullen rukken | bijzin, toekomende tijd |
| in zult rukken | bijzin, toekomende tijd |
| ingerukt | verleden tijd, deelwoord |
| ingerukt te zullen hebben/zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ingerukt zullen hebben/zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| inruk | bijzin, tegenwoordige tijd |
| inrukkend | onvoltooid, deelwoord |
| inrukt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| inrukte | bijzin, verleden tijd |
| inrukten | bijzin, verleden tijd |
| ruk in | gebiedende wijs |
| rukte in | verleden tijd |
| te hebben/zijn ingerukt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen inrukken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal inrukken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal inrukken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal inrukken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal inrukken | bijzin, toekomende tijd |
| zijn ingerukt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zou inrukken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou inrukken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou inrukken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou inrukken | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) inrukken in zou(dt) rukken | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden inrukken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden inrukken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden inrukken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden inrukken | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt inrukken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt inrukken | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen inrukken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen inrukken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen inrukken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen inrukken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen inrukken | bijzin, toekomende tijd |
| zult inrukken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult inrukken | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal inrukken in zult/zal rukken | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van in bw en rukken ww
Woordfamilie van inrukken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| ingerukt | voltooid deelwoord | inrukken |
| ingerukte | woordvorm | inrukken |
| inruk | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | inrukken |
| inrukke | with-subordinate-clause | inrukken |
| inrukkend | onvoltooid deelwoord | inrukken |
| inrukkende | woordvorm | inrukken |
| inrukt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | inrukken |
| inrukte | subordinate-clause, verleden tijd | inrukken |
| inrukten | subordinate-clause, verleden tijd | inrukken |
| ruk in | gebiedende wijs | inrukken |
| rukke in | woordvorm | inrukken |
| rukken in | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | inrukken |
| rukt in | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | inrukken |
| rukte in | verleden tijd | inrukken |
| rukten in | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | inrukken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van inrukken zijn vastgelegd.