inroepen
werkwoordBetekenis
- vragen of iemand tussenbeide of te hulp komt
- tweede betekenisomschrijving
- enz.
Vervoeging van inroepen
inroepenhele werkwoord — riep inverleden tijd enkelvoud — riepen inverleden tijd meervoud — ingeroepenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | roep in | riep in |
| jij | roept in | riep in |
| hij, zij, het | roept in | riep in |
| wij | roepen in | riepen in |
| jullie | roepen in | riepen in |
| zij | roepen in | riepen in |
Alle 146 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben ingeroepen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent ingeroepen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is ingeroepen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was ingeroepen | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd ingeroepen | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt ingeroepen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal ingeroepen worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal ingeroepen zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou ingeroepen worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou ingeroepen zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had ingeroepen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had ingeroepen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had ingeroepen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden ingeroepen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden ingeroepen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden ingeroepen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt ingeroepen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb ingeroepen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben ingeroepen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben ingeroepen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben ingeroepen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben ingeroepen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt ingeroepen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft ingeroepen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft ingeroepen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| in te roepen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| in te zullen roepen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| in zal roepen | bijzin, toekomende tijd |
| in zou roepen | bijzin, voorwaardelijk |
| in zouden roepen | bijzin, voorwaardelijk |
| in zoudt roepen | bijzin, voorwaardelijk |
| in zullen roepen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| in zullen roepen | bijzin, toekomende tijd |
| in zult roepen | bijzin, toekomende tijd |
| ingeroepen | verleden tijd, deelwoord |
| ingeroepen te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| ingeroepen te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| ingeroepen te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ingeroepen te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ingeroepen te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ingeroepen worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| ingeroepen zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| ingeroepen zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ingeroepen zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ingeroepen zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| inriep | bijzin, verleden tijd |
| inriepen | bijzin, verleden tijd |
| inriept | bijzin, verleden tijd |
| inroep | bijzin, tegenwoordige tijd |
| inroepend | onvoltooid, deelwoord |
| inroept | bijzin, tegenwoordige tijd |
| is ingeroepen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is ingeroepen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| riep in | verleden tijd |
| roep in | gebiedende wijs |
| te hebben ingeroepen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen inroepen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart ingeroepen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren ingeroepen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren ingeroepen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren ingeroepen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was ingeroepen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was ingeroepen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was ingeroepen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd ingeroepen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd ingeroepen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd ingeroepen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden ingeroepen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden ingeroepen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden ingeroepen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt ingeroepen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word ingeroepen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden ingeroepen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden ingeroepen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden ingeroepen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt ingeroepen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt ingeroepen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal ingeroepen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ingeroepen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal ingeroepen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal ingeroepen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ingeroepen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal ingeroepen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ingeroepen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal inroepen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal inroepen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal inroepen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal inroepen | bijzin, toekomende tijd |
| zijn ingeroepen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn ingeroepen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn ingeroepen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt ingeroepen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou ingeroepen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ingeroepen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ingeroepen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou ingeroepen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ingeroepen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou ingeroepen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ingeroepen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ingeroepen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ingeroepen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou inroepen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou inroepen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou inroepen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou inroepen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) inroepen in zou(dt) roepen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden ingeroepen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden ingeroepen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden ingeroepen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ingeroepen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden ingeroepen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden ingeroepen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ingeroepen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden ingeroepen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden ingeroepen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden inroepen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden inroepen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden inroepen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden inroepen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt ingeroepen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt ingeroepen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt ingeroepen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt inroepen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt inroepen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen ingeroepen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen ingeroepen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen ingeroepen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen ingeroepen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen ingeroepen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen ingeroepen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen ingeroepen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen ingeroepen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen ingeroepen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen inroepen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen inroepen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen inroepen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen inroepen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen inroepen | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van in bw en roepen ww
Woordfamilie van inroepen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| ingeroepen | voltooid deelwoord | inroepen |
| inriep | subordinate-clause, verleden tijd | inroepen |
| inriepen | subordinate-clause, verleden tijd | inroepen |
| inroep | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | inroepen |
| inroepe | with-subordinate-clause | inroepen |
| inroepend | onvoltooid deelwoord | inroepen |
| inroepende | woordvorm | inroepen |
| inroept | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | inroepen |
| riep in | verleden tijd | inroepen |
| riepen in | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | inroepen |
| roep in | gebiedende wijs | inroepen |
| roepe in | woordvorm | inroepen |
| roepen in | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | inroepen |
| roept in | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | inroepen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van inroepen zijn vastgelegd.