inpolderen
werkwoordBetekenis
- door het aanleggen van dijken en aanbrengen van een bemalingssysteem een stuk buitendijks land tot polder maken
Vervoeging van inpolderen
inpolderenhele werkwoord — polderde inverleden tijd enkelvoud — polderden inverleden tijd meervoud — ingepolderdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | polder in | polderde in |
| jij | poldert in | polderde in |
| hij, zij, het | poldert in | polderde in |
| wij | polderen in | polderden in |
| jullie | polderen in | polderden in |
| zij | polderen in | polderden in |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben ingepolderd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent ingepolderd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is ingepolderd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was ingepolderd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd ingepolderd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt ingepolderd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal ingepolderd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal ingepolderd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou ingepolderd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou ingepolderd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had ingepolderd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had ingepolderd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had ingepolderd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden ingepolderd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden ingepolderd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden ingepolderd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt ingepolderd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb ingepolderd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben ingepolderd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben ingepolderd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben ingepolderd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben ingepolderd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt ingepolderd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft ingepolderd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft ingepolderd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| in te polderen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| in te zullen polderen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| in zal polderen | bijzin, toekomende tijd |
| in zou polderen | bijzin, voorwaardelijk |
| in zouden polderen | bijzin, voorwaardelijk |
| in zoudt polderen | bijzin, voorwaardelijk |
| in zullen polderen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| in zullen polderen | bijzin, toekomende tijd |
| in zult polderen | bijzin, toekomende tijd |
| ingepolderd | verleden tijd, deelwoord |
| ingepolderd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| ingepolderd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| ingepolderd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ingepolderd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ingepolderd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ingepolderd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| ingepolderd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| ingepolderd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ingepolderd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ingepolderd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| inpolder | bijzin, tegenwoordige tijd |
| inpolderde | bijzin, verleden tijd |
| inpolderden | bijzin, verleden tijd |
| inpolderend | onvoltooid, deelwoord |
| inpoldert | bijzin, tegenwoordige tijd |
| is ingepolderd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is ingepolderd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| polder in | gebiedende wijs |
| polderde in | verleden tijd |
| te hebben ingepolderd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen inpolderen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart ingepolderd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren ingepolderd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren ingepolderd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren ingepolderd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was ingepolderd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was ingepolderd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was ingepolderd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd ingepolderd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd ingepolderd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd ingepolderd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden ingepolderd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden ingepolderd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden ingepolderd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt ingepolderd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word ingepolderd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden ingepolderd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden ingepolderd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden ingepolderd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt ingepolderd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt ingepolderd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal ingepolderd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ingepolderd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal ingepolderd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal ingepolderd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ingepolderd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal ingepolderd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ingepolderd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal inpolderen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal inpolderen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal inpolderen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal inpolderen | bijzin, toekomende tijd |
| zijn ingepolderd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn ingepolderd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn ingepolderd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt ingepolderd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou ingepolderd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ingepolderd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ingepolderd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou ingepolderd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ingepolderd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou ingepolderd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ingepolderd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ingepolderd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ingepolderd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou inpolderen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou inpolderen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou inpolderen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou inpolderen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) inpolderen in zou(dt) polderen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden ingepolderd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden ingepolderd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden ingepolderd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ingepolderd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden ingepolderd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden ingepolderd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ingepolderd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden ingepolderd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden ingepolderd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden inpolderen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden inpolderen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden inpolderen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden inpolderen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt ingepolderd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt ingepolderd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt ingepolderd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt inpolderen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt inpolderen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen ingepolderd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen ingepolderd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen ingepolderd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen ingepolderd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen ingepolderd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen ingepolderd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen ingepolderd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen ingepolderd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen ingepolderd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen inpolderen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen inpolderen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen inpolderen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen inpolderen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen inpolderen | bijzin, toekomende tijd |
| zult ingepolderd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van in en polderen
Woordfamilie van inpolderen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| ingepolderd | voltooid deelwoord | inpolderen |
| ingepolderde | woordvorm | inpolderen |
| inpolder | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | inpolderen |
| inpolderde | subordinate-clause, verleden tijd | inpolderen |
| inpolderden | subordinate-clause, verleden tijd | inpolderen |
| inpoldere | with-subordinate-clause | inpolderen |
| inpolderend | onvoltooid deelwoord | inpolderen |
| inpolderende | woordvorm | inpolderen |
| inpoldert | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | inpolderen |
| polder in | gebiedende wijs | inpolderen |
| polderde in | verleden tijd | inpolderen |
| polderden in | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | inpolderen |
| poldere in | woordvorm | inpolderen |
| polderen in | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | inpolderen |
| poldert in | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | inpolderen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van inpolderen zijn vastgelegd.