inplanten
werkwoord, zelfstandig naamwoordBetekenis
- in de grond zetten, in de bodem stoppen
- implanteren
- (gebouwen, bedrijven, instellingen:) neerzetten, plaatsen, vestigen (in een bepaald gebied)
werkwoord
- neerzetten, plaatsen, vestigen (in een bepaald gebied)
Vervoeging van inplanten
inplantenhele werkwoord — plantte inverleden tijd enkelvoud — plantten inverleden tijd meervoud — ingeplantvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | plant in | plantte in |
| jij | plant in | plantte in |
| hij, zij, het | plant in | plantte in |
| wij | planten in | plantten in |
| jullie | planten in | plantten in |
| zij | planten in | plantten in |
Alle 144 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben ingeplant | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent ingeplant | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is ingeplant | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was ingeplant | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd ingeplant | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt ingeplant | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal ingeplant worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal ingeplant zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou ingeplant worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou ingeplant zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had ingeplant | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had ingeplant | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had ingeplant | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden ingeplant | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden ingeplant | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden ingeplant | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt ingeplant | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb ingeplant | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben ingeplant | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben ingeplant | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben ingeplant | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben ingeplant | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt ingeplant | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft ingeplant | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft ingeplant | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| in te planten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| in te zullen planten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| in zal planten | bijzin, toekomende tijd |
| in zou planten | bijzin, voorwaardelijk |
| in zouden planten | bijzin, voorwaardelijk |
| in zoudt planten | bijzin, voorwaardelijk |
| in zullen planten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| in zullen planten | bijzin, toekomende tijd |
| in zult planten | bijzin, toekomende tijd |
| ingeplant | verleden tijd, deelwoord |
| ingeplant te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| ingeplant te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| ingeplant te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ingeplant te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ingeplant te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ingeplant worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| ingeplant zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| ingeplant zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ingeplant zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ingeplant zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| inplant | bijzin, tegenwoordige tijd |
| inplantend | onvoltooid, deelwoord |
| inplantte | bijzin, verleden tijd |
| inplantten | bijzin, verleden tijd |
| is ingeplant | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is ingeplant | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| plant in | gebiedende wijs |
| plantte in | verleden tijd |
| te hebben ingeplant | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen inplanten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart ingeplant | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren ingeplant | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren ingeplant | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren ingeplant | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was ingeplant | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was ingeplant | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was ingeplant | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd ingeplant | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd ingeplant | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd ingeplant | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden ingeplant | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden ingeplant | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden ingeplant | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt ingeplant | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word ingeplant | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden ingeplant | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden ingeplant | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden ingeplant | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt ingeplant | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt ingeplant | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal ingeplant hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ingeplant hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal ingeplant hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal ingeplant worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ingeplant worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal ingeplant zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ingeplant zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal inplanten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal inplanten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal inplanten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal inplanten | bijzin, toekomende tijd |
| zijn ingeplant | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn ingeplant | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn ingeplant | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt ingeplant | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou ingeplant hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ingeplant hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ingeplant hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou ingeplant worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ingeplant worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou ingeplant worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ingeplant zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ingeplant zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ingeplant zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou inplanten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou inplanten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou inplanten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou inplanten | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) inplanten in zou(dt) planten | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden ingeplant hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden ingeplant hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden ingeplant hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ingeplant worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden ingeplant worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden ingeplant worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ingeplant zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden ingeplant zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden ingeplant zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden inplanten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden inplanten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden inplanten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden inplanten | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt ingeplant hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt ingeplant worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt ingeplant zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt inplanten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt inplanten | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen ingeplant hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen ingeplant hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen ingeplant hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen ingeplant worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen ingeplant worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen ingeplant worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen ingeplant zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen ingeplant zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen ingeplant zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen inplanten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen inplanten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen inplanten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen inplanten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen inplanten | bijzin, toekomende tijd |
| zult ingeplant hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult ingeplant worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord inplant
Herkomst
samenstelling van in en planten
Woordfamilie van inplanten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| ingeplant | voltooid deelwoord | inplanten |
| ingeplante | woordvorm | inplanten |
| inplante | with-subordinate-clause | inplanten |
| inplantend | onvoltooid deelwoord | inplanten |
| inplantende | woordvorm | inplanten |
| inplantte | subordinate-clause, verleden tijd | inplanten |
| inplantten | subordinate-clause, verleden tijd | inplanten |
| plante in | woordvorm | inplanten |
| planten in | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | inplanten |
| plantte in | verleden tijd | inplanten |
| plantten in | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | inplanten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van inplanten zijn vastgelegd.