Naar de inhoud

inplanten

in de grond zetten, in de bodem stoppen

inplanten is meer dan één woord

inplanten

werkwoord, zelfstandig naamwoord

Betekenis

  1. in de grond zetten, in de bodem stoppen
  2. implanteren
  3. (gebouwen, bedrijven, instellingen:) neerzetten, plaatsen, vestigen (in een bepaald gebied)

werkwoord

  1. neerzetten, plaatsen, vestigen (in een bepaald gebied)

Vervoeging van inplanten

inplantenhele werkwoord — plantte inverleden tijd enkelvoud — plantten inverleden tijd meervoud — ingeplantvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik plant in plantte in
jij plant in plantte in
hij, zij, het plant in plantte in
wij planten in plantten in
jullie planten in plantten in
zij planten in plantten in
Alle 144 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben ingeplant voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent ingeplant voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is ingeplant impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was ingeplant impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd ingeplant impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt ingeplant impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal ingeplant worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal ingeplant zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou ingeplant worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou ingeplant zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had ingeplant voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had ingeplant voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had ingeplant voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden ingeplant voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden ingeplant voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden ingeplant voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt ingeplant voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb ingeplant voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben ingeplant actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben ingeplant voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben ingeplant voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben ingeplant voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt ingeplant voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft ingeplant voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft ingeplant voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
in te planten actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
in te zullen planten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
in zal planten bijzin, toekomende tijd
in zou planten bijzin, voorwaardelijk
in zouden planten bijzin, voorwaardelijk
in zoudt planten bijzin, voorwaardelijk
in zullen planten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
in zullen planten bijzin, toekomende tijd
in zult planten bijzin, toekomende tijd
ingeplant verleden tijd, deelwoord
ingeplant te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
ingeplant te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
ingeplant te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
ingeplant te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
ingeplant te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
ingeplant worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
ingeplant zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
ingeplant zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
ingeplant zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
ingeplant zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
inplant bijzin, tegenwoordige tijd
inplantend onvoltooid, deelwoord
inplantte bijzin, verleden tijd
inplantten bijzin, verleden tijd
is ingeplant voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is ingeplant voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
plant in gebiedende wijs
plantte in verleden tijd
te hebben ingeplant actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen inplanten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart ingeplant voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren ingeplant voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren ingeplant voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren ingeplant voltooid, verleden tijd, derde persoon
was ingeplant voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was ingeplant voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was ingeplant voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd ingeplant enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd ingeplant enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd ingeplant enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden ingeplant enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden ingeplant enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden ingeplant enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt ingeplant enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word ingeplant enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden ingeplant enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden ingeplant enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden ingeplant enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt ingeplant enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt ingeplant enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal ingeplant hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal ingeplant hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal ingeplant hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal ingeplant worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal ingeplant worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal ingeplant zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal ingeplant zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal inplanten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal inplanten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal inplanten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal inplanten bijzin, toekomende tijd
zijn ingeplant voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn ingeplant voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn ingeplant voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt ingeplant voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou ingeplant hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou ingeplant hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou ingeplant hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou ingeplant worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou ingeplant worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou ingeplant worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou ingeplant zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou ingeplant zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou ingeplant zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou inplanten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou inplanten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou inplanten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou inplanten bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) inplanten in zou(dt) planten bijzin, voorwaardelijk
zouden ingeplant hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden ingeplant hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden ingeplant hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden ingeplant worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden ingeplant worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden ingeplant worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden ingeplant zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden ingeplant zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden ingeplant zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden inplanten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden inplanten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden inplanten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden inplanten bijzin, voorwaardelijk
zoudt ingeplant hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt ingeplant worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt ingeplant zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt inplanten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt inplanten bijzin, voorwaardelijk
zullen ingeplant hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen ingeplant hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen ingeplant hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen ingeplant worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen ingeplant worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen ingeplant worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen ingeplant zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen ingeplant zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen ingeplant zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen inplanten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen inplanten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen inplanten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen inplanten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen inplanten bijzin, toekomende tijd
zult ingeplant hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult ingeplant worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Woordvorm

  • meervoud van het zelfstandig naamwoord inplant

Herkomst

samenstelling van in en planten

Woordfamilie van inplanten

Woordvorm Relatie Afgeleid van
ingeplant voltooid deelwoord inplanten
ingeplante woordvorm inplanten
inplante with-subordinate-clause inplanten
inplantend onvoltooid deelwoord inplanten
inplantende woordvorm inplanten
inplantte subordinate-clause, verleden tijd inplanten
inplantten subordinate-clause, verleden tijd inplanten
plante in woordvorm inplanten
planten in aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon inplanten
plantte in verleden tijd inplanten
plantten in aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon inplanten

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van inplanten zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over inplanten

Wat is de betekenis van inplanten?
Inplanten is een werkwoord. De betekenis is: in de grond zetten, in de bodem stoppen. In totaal staan er 4 betekenissen.
Hoe vervoeg ik inplanten?
Zo vervoeg je inplanten zo: het voltooid deelwoord is ingeplant. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord inplanten is 14 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. I 1
  2. N 1
  3. P 3
  4. L 3
  5. A 1
  6. N 1
  7. T 2
  8. E 1
  9. N 1
  10. 14 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

inplanten levert met Wordfeud minimaal 16 en maximaal 72 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. I 2
  2. N 1
  3. P 4
  4. L 3
  5. A 1
  6. N 1
  7. T 2
  8. E 1
  9. N 1
  10. 16 zonder bonus
  11. 72 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (P) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

inplanten in het kort

inplanten is zowel werkwoord als zelfstandig naamwoord. Wat het is, hangt af van de zin. Hierboven vind je 4 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van inplanten staan er 86 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort inplanten bij een woordfamilie van 11 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

inplanten: in de grond zetten, in de bodem stoppen
Deel inplanten — standaardnederlands.nl