inlossen
werkwoordBetekenis
- door betaling van een schuld iets weer in zijn bezit krijgen
- gestand doen
Vervoeging van inlossen
inlossenhele werkwoord — loste inverleden tijd enkelvoud — losten inverleden tijd meervoud — ingelostvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | los in | loste in |
| jij | lost in | loste in |
| hij, zij, het | lost in | loste in |
| wij | lossen in | losten in |
| jullie | lossen in | losten in |
| zij | lossen in | losten in |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben ingelost | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent ingelost | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is ingelost | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was ingelost | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd ingelost | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt ingelost | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal ingelost worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal ingelost zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou ingelost worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou ingelost zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had ingelost | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had ingelost | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had ingelost | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden ingelost | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden ingelost | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden ingelost | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt ingelost | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb ingelost | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben ingelost | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben ingelost | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben ingelost | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben ingelost | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt ingelost | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft ingelost | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft ingelost | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| in te lossen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| in te zullen lossen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| in zal lossen | bijzin, toekomende tijd |
| in zou lossen | bijzin, voorwaardelijk |
| in zouden lossen | bijzin, voorwaardelijk |
| in zoudt lossen | bijzin, voorwaardelijk |
| in zullen lossen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| in zullen lossen | bijzin, toekomende tijd |
| in zult lossen | bijzin, toekomende tijd |
| ingelost | verleden tijd, deelwoord |
| ingelost te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| ingelost te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| ingelost te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ingelost te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ingelost te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ingelost worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| ingelost zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| ingelost zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ingelost zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ingelost zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| inlos | bijzin, tegenwoordige tijd |
| inlossend | onvoltooid, deelwoord |
| inlost | bijzin, tegenwoordige tijd |
| inloste | bijzin, verleden tijd |
| inlosten | bijzin, verleden tijd |
| is ingelost | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is ingelost | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| los in | gebiedende wijs |
| loste in | verleden tijd |
| te hebben ingelost | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen inlossen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart ingelost | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren ingelost | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren ingelost | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren ingelost | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was ingelost | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was ingelost | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was ingelost | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd ingelost | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd ingelost | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd ingelost | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden ingelost | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden ingelost | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden ingelost | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt ingelost | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word ingelost | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden ingelost | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden ingelost | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden ingelost | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt ingelost | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt ingelost | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal ingelost hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ingelost hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal ingelost hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal ingelost worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ingelost worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal ingelost zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ingelost zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal inlossen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal inlossen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal inlossen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal inlossen | bijzin, toekomende tijd |
| zijn ingelost | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn ingelost | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn ingelost | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt ingelost | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou ingelost hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ingelost hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ingelost hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou ingelost worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ingelost worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou ingelost worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ingelost zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ingelost zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ingelost zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou inlossen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou inlossen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou inlossen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou inlossen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) inlossen in zou(dt) lossen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden ingelost hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden ingelost hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden ingelost hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ingelost worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden ingelost worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden ingelost worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ingelost zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden ingelost zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden ingelost zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden inlossen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden inlossen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden inlossen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden inlossen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt ingelost hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt ingelost worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt ingelost zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt inlossen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt inlossen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen ingelost hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen ingelost hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen ingelost hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen ingelost worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen ingelost worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen ingelost worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen ingelost zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen ingelost zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen ingelost zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen inlossen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen inlossen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen inlossen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen inlossen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen inlossen | bijzin, toekomende tijd |
| zult ingelost hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van in en lossen
Woordfamilie van inlossen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| ingelost | voltooid deelwoord | inlossen |
| ingeloste | woordvorm | inlossen |
| inlos | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | inlossen |
| inlosse | with-subordinate-clause | inlossen |
| inlossend | onvoltooid deelwoord | inlossen |
| inlossende | woordvorm | inlossen |
| inlost | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | inlossen |
| inloste | subordinate-clause, verleden tijd | inlossen |
| inlosten | subordinate-clause, verleden tijd | inlossen |
| los in | gebiedende wijs | inlossen |
| losse in | woordvorm | inlossen |
| lossen in | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | inlossen |
| lost in | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | inlossen |
| loste in | verleden tijd | inlossen |
| losten in | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | inlossen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van inlossen zijn vastgelegd.