Naar de inhoud

inlossen

door betaling van een schuld iets weer in zijn bezit krijgen

inlossen

werkwoord

Betekenis

  1. door betaling van een schuld iets weer in zijn bezit krijgen
  2. gestand doen

Vervoeging van inlossen

inlossenhele werkwoord — loste inverleden tijd enkelvoud — losten inverleden tijd meervoud — ingelostvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik los in loste in
jij lost in loste in
hij, zij, het lost in loste in
wij lossen in losten in
jullie lossen in losten in
zij lossen in losten in
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben ingelost voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent ingelost voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is ingelost impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was ingelost impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd ingelost impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt ingelost impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal ingelost worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal ingelost zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou ingelost worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou ingelost zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had ingelost voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had ingelost voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had ingelost voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden ingelost voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden ingelost voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden ingelost voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt ingelost voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb ingelost voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben ingelost actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben ingelost voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben ingelost voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben ingelost voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt ingelost voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft ingelost voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft ingelost voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
in te lossen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
in te zullen lossen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
in zal lossen bijzin, toekomende tijd
in zou lossen bijzin, voorwaardelijk
in zouden lossen bijzin, voorwaardelijk
in zoudt lossen bijzin, voorwaardelijk
in zullen lossen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
in zullen lossen bijzin, toekomende tijd
in zult lossen bijzin, toekomende tijd
ingelost verleden tijd, deelwoord
ingelost te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
ingelost te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
ingelost te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
ingelost te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
ingelost te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
ingelost worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
ingelost zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
ingelost zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
ingelost zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
ingelost zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
inlos bijzin, tegenwoordige tijd
inlossend onvoltooid, deelwoord
inlost bijzin, tegenwoordige tijd
inloste bijzin, verleden tijd
inlosten bijzin, verleden tijd
is ingelost voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is ingelost voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
los in gebiedende wijs
loste in verleden tijd
te hebben ingelost actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen inlossen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart ingelost voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren ingelost voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren ingelost voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren ingelost voltooid, verleden tijd, derde persoon
was ingelost voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was ingelost voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was ingelost voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd ingelost enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd ingelost enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd ingelost enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden ingelost enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden ingelost enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden ingelost enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt ingelost enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word ingelost enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden ingelost enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden ingelost enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden ingelost enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt ingelost enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt ingelost enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal ingelost hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal ingelost hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal ingelost hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal ingelost worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal ingelost worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal ingelost zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal ingelost zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal inlossen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal inlossen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal inlossen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal inlossen bijzin, toekomende tijd
zijn ingelost voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn ingelost voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn ingelost voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt ingelost voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou ingelost hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou ingelost hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou ingelost hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou ingelost worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou ingelost worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou ingelost worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou ingelost zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou ingelost zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou ingelost zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou inlossen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou inlossen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou inlossen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou inlossen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) inlossen in zou(dt) lossen bijzin, voorwaardelijk
zouden ingelost hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden ingelost hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden ingelost hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden ingelost worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden ingelost worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden ingelost worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden ingelost zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden ingelost zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden ingelost zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden inlossen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden inlossen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden inlossen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden inlossen bijzin, voorwaardelijk
zoudt ingelost hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt ingelost worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt ingelost zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt inlossen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt inlossen bijzin, voorwaardelijk
zullen ingelost hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen ingelost hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen ingelost hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen ingelost worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen ingelost worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen ingelost worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen ingelost zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen ingelost zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen ingelost zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen inlossen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen inlossen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen inlossen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen inlossen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen inlossen bijzin, toekomende tijd
zult ingelost hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

samenstelling van in en lossen

Woordfamilie van inlossen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
ingelost voltooid deelwoord inlossen
ingeloste woordvorm inlossen
inlos subordinate-clause, tegenwoordige tijd inlossen
inlosse with-subordinate-clause inlossen
inlossend onvoltooid deelwoord inlossen
inlossende woordvorm inlossen
inlost subordinate-clause, tegenwoordige tijd inlossen
inloste subordinate-clause, verleden tijd inlossen
inlosten subordinate-clause, verleden tijd inlossen
los in gebiedende wijs inlossen
losse in woordvorm inlossen
lossen in aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon inlossen
lost in aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon inlossen
loste in verleden tijd inlossen
losten in aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon inlossen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van inlossen zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over inlossen

Wat betekent inlossen?
Inlossen is een werkwoord. Het woord betekent: door betaling van een schuld iets weer in zijn bezit krijgen. Deze pagina beschrijft 2 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je inlossen?
Je vervoegt inlossen als volgt: het voltooid deelwoord is ingelost. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord inlossen is 12 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. I 1
  2. N 1
  3. L 3
  4. O 1
  5. S 2
  6. S 2
  7. E 1
  8. N 1
  9. 12 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

inlossen levert met Wordfeud minimaal 13 en maximaal 57 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. I 2
  2. N 1
  3. L 3
  4. O 1
  5. S 2
  6. S 2
  7. E 1
  8. N 1
  9. 13 zonder bonus
  10. 57 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (L) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

inlossen in het kort

inlossen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 2 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van inlossen zijn 88 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort inlossen bij een woordfamilie van 15 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

inlossen: door betaling van een schuld iets weer in zijn bezit krijgen
Deel inlossen — standaardnederlands.nl