inlijven
werkwoord /ˈɪnlɛɪvə(n)/Betekenis
- iemand in een groep opnemen
- het toe-eigenen van een grondgebied
- toekomende tijd enkelvoud en meervoud van
Hoe spreek je inlijven uit?
/ˈɪnlɛivən/
Inlijven bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɪ | pit |
| n | nek |
| l | land |
| ɛi | trein |
| v | vis |
| ə | de |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- toekomende tijd enkelvoud en meervoud van inlijven
Vervoeging van inlijven
inlijvenhele werkwoord — lijfde inverleden tijd enkelvoud — lijfden inverleden tijd meervoud — ingelijfdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | lijf in | lijfde in |
| jij | lijft in | lijfde in |
| hij, zij, het | lijft in | lijfde in |
| wij | lijven in | lijfden in |
| jullie | lijven in | lijfden in |
| zij | lijven in | lijfden in |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben ingelijfd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent ingelijfd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is ingelijfd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was ingelijfd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd ingelijfd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt ingelijfd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal ingelijfd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal ingelijfd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou ingelijfd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou ingelijfd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had ingelijfd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had ingelijfd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had ingelijfd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden ingelijfd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden ingelijfd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden ingelijfd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt ingelijfd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb ingelijfd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben ingelijfd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben ingelijfd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben ingelijfd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben ingelijfd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt ingelijfd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft ingelijfd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft ingelijfd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| in te lijven | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| in te zullen lijven | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| in zal lijven | bijzin, toekomende tijd |
| in zou lijven | bijzin, voorwaardelijk |
| in zouden lijven | bijzin, voorwaardelijk |
| in zoudt lijven | bijzin, voorwaardelijk |
| in zullen lijven | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| in zullen lijven | bijzin, toekomende tijd |
| in zult lijven | bijzin, toekomende tijd |
| ingelijfd | verleden tijd, deelwoord |
| ingelijfd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| ingelijfd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| ingelijfd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ingelijfd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ingelijfd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ingelijfd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| ingelijfd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| ingelijfd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ingelijfd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ingelijfd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| inlijf | bijzin, tegenwoordige tijd |
| inlijfde | bijzin, verleden tijd |
| inlijfden | bijzin, verleden tijd |
| inlijft | bijzin, tegenwoordige tijd |
| inlijvend | onvoltooid, deelwoord |
| is ingelijfd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is ingelijfd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| lijf in | gebiedende wijs |
| lijfde in | verleden tijd |
| te hebben ingelijfd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen inlijven | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart ingelijfd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren ingelijfd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren ingelijfd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren ingelijfd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was ingelijfd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was ingelijfd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was ingelijfd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd ingelijfd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd ingelijfd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd ingelijfd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden ingelijfd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden ingelijfd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden ingelijfd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt ingelijfd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word ingelijfd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden ingelijfd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden ingelijfd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden ingelijfd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt ingelijfd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt ingelijfd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal ingelijfd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ingelijfd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal ingelijfd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal ingelijfd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ingelijfd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal ingelijfd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ingelijfd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal inlijven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal inlijven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal inlijven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal inlijven | bijzin, toekomende tijd |
| zijn ingelijfd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn ingelijfd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn ingelijfd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt ingelijfd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou ingelijfd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ingelijfd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ingelijfd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou ingelijfd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ingelijfd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou ingelijfd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ingelijfd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ingelijfd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ingelijfd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou inlijven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou inlijven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou inlijven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou inlijven | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) inlijven in zou(dt) lijven | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden ingelijfd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden ingelijfd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden ingelijfd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ingelijfd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden ingelijfd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden ingelijfd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ingelijfd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden ingelijfd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden ingelijfd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden inlijven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden inlijven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden inlijven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden inlijven | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt ingelijfd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt ingelijfd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt ingelijfd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt inlijven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt inlijven | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen ingelijfd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen ingelijfd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen ingelijfd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen ingelijfd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen ingelijfd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen ingelijfd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen ingelijfd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen ingelijfd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen ingelijfd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen inlijven | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen inlijven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen inlijven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen inlijven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen inlijven | bijzin, toekomende tijd |
| zult ingelijfd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘opnemen’ voor het eerst aangetroffen in 1565
Woordfamilie van inlijven
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| ingelijfd | voltooid deelwoord | inlijven |
| ingelijfde | woordvorm | inlijven |
| inlijf | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | inlijven |
| inlijfde | subordinate-clause, verleden tijd | inlijven |
| inlijfden | subordinate-clause, verleden tijd | inlijven |
| inlijft | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | inlijven |
| inlijve | with-subordinate-clause | inlijven |
| inlijvend | onvoltooid deelwoord | inlijven |
| inlijvende | woordvorm | inlijven |
| lijf in | gebiedende wijs | inlijven |
| lijfde in | verleden tijd | inlijven |
| lijfden in | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | inlijven |
| lijft in | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | inlijven |
| lijve in | woordvorm | inlijven |
| lijven in | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | inlijven |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van inlijven zijn vastgelegd.