inlezen
werkwoordBetekenis
- door een leesproces informatie inbrengen
- door veel over een onderwerp te lezen zich bekendmaken met een kennisterrein
Vervoeging van inlezen
inlezenhele werkwoord — las inverleden tijd enkelvoud — lazen inverleden tijd meervoud — ingelezenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | lees in | las in |
| jij | leest in | laast in |
| hij, zij, het | leest in | las in |
| wij | lezen in | lazen in |
| jullie | lezen in | lazen in |
| zij | lezen in | lazen in |
Alle 96 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is ingelezen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was ingelezen | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd ingelezen | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt ingelezen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal ingelezen worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal ingelezen zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou ingelezen worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou ingelezen zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had ingelezen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had ingelezen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had ingelezen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden ingelezen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden ingelezen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden ingelezen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt ingelezen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb ingelezen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben ingelezen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben ingelezen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben ingelezen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben ingelezen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt ingelezen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft ingelezen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft ingelezen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| in te lezen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| in te zullen lezen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| in zal lezen | bijzin, toekomende tijd |
| in zou lezen | bijzin, voorwaardelijk |
| in zouden lezen | bijzin, voorwaardelijk |
| in zoudt lezen | bijzin, voorwaardelijk |
| in zullen lezen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| in zullen lezen | bijzin, toekomende tijd |
| in zult lezen | bijzin, toekomende tijd |
| ingelezen | verleden tijd, deelwoord |
| ingelezen te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ingelezen zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| inlaast | bijzin, verleden tijd |
| inlas | bijzin, verleden tijd |
| inlazen | bijzin, verleden tijd |
| inlees | bijzin, tegenwoordige tijd |
| inleest | bijzin, tegenwoordige tijd |
| inlezend | onvoltooid, deelwoord |
| las in | verleden tijd |
| lees in | gebiedende wijs |
| lees u/je in, leest je in | gebiedende wijs |
| te hebben ingelezen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen inlezen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal ingelezen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ingelezen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal ingelezen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal inlezen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal inlezen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal inlezen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal inlezen | bijzin, toekomende tijd |
| zal me inlezen | eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal zich inlezen | derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal, zult je inlezen | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zich ingelezen hebben | verleden tijd |
| zich inlezend | onvoltooid, deelwoord |
| zou ingelezen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ingelezen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ingelezen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou inlezen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou inlezen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou inlezen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou inlezen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) inlezen in zou(dt) lezen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden ingelezen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden ingelezen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden ingelezen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden inlezen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden inlezen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden inlezen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden inlezen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt ingelezen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt inlezen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt inlezen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen ingelezen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen ingelezen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen ingelezen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen inlezen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen inlezen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen inlezen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen inlezen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen inlezen | bijzin, toekomende tijd |
| zullen je inlezen | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen ons inlezen | eerste persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen zich inlezen | derde persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zult ingelezen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult inlezen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult inlezen | bijzin, toekomende tijd |
| zult u inlezen | tweede persoon |
| zult u inlezen | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zult zich/u inlezen | tweede persoon |
| zult zich/u inlezen | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zult/zal inlezen in zult/zal lezen | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van in bw en lezen ww
Woordfamilie van inlezen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| ingelezen | voltooid deelwoord | inlezen |
| inlazen | subordinate-clause, verleden tijd | inlezen |
| inlees | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | inlezen |
| inleest | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | inlezen |
| inleze | with-subordinate-clause | inlezen |
| inlezend | onvoltooid deelwoord | inlezen |
| inlezende | woordvorm | inlezen |
| lazen in | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | inlezen |
| lees in | gebiedende wijs | inlezen |
| leest in | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | inlezen |
| leze in | woordvorm | inlezen |
| lezen in | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | inlezen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van inlezen zijn vastgelegd.