Naar de inhoud

inklimmen

klauterend betreden

inklimmen

werkwoord

Betekenis

  1. klauterend betreden

Vervoeging van inklimmen

inklimmenhele werkwoord — klom inverleden tijd enkelvoud — klommen inverleden tijd meervoud — ingeklommenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik klim in klom in
jij klimt in klom in
hij, zij, het klimt in klom in
wij klimmen in klommen in
jullie klimmen in klommen in
zij klimmen in klommen in
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ben ingeklommen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent ingeklommen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
ev. gebiedende wijs
in te klimmen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
in te zullen klimmen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
in zal klimmen bijzin, toekomende tijd
in zou klimmen bijzin, voorwaardelijk
in zouden klimmen bijzin, voorwaardelijk
in zoudt klimmen bijzin, voorwaardelijk
in zullen klimmen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
in zullen klimmen bijzin, toekomende tijd
in zult klimmen bijzin, toekomende tijd
ingeklommen verleden tijd, deelwoord
ingeklommen te zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
ingeklommen zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
inklim bijzin, tegenwoordige tijd
inklimmend onvoltooid, deelwoord
inklimt bijzin, tegenwoordige tijd
inklom bijzin, verleden tijd
inklommen bijzin, verleden tijd
is ingeklommen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is ingeklommen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
klim in gebiedende wijs
klom in verleden tijd
te zijn ingeklommen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen inklimmen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart ingeklommen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren ingeklommen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren ingeklommen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren ingeklommen voltooid, verleden tijd, derde persoon
was ingeklommen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was ingeklommen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was ingeklommen voltooid, verleden tijd, derde persoon
zal ingeklommen zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal ingeklommen zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal ingeklommen zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal inklimmen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal inklimmen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal inklimmen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal inklimmen bijzin, toekomende tijd
zijn ingeklommen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
zijn ingeklommen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn ingeklommen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn ingeklommen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt ingeklommen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou ingeklommen zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou ingeklommen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou ingeklommen zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou inklimmen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou inklimmen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou inklimmen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou inklimmen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) inklimmen in zou(dt) klimmen bijzin, voorwaardelijk
zouden ingeklommen zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden ingeklommen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden ingeklommen zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden inklimmen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden inklimmen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden inklimmen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden inklimmen bijzin, voorwaardelijk
zoudt ingeklommen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt inklimmen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt inklimmen bijzin, voorwaardelijk
zullen ingeklommen zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen ingeklommen zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen ingeklommen zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen inklimmen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen inklimmen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen inklimmen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen inklimmen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen inklimmen bijzin, toekomende tijd
zult ingeklommen zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult inklimmen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult inklimmen bijzin, toekomende tijd
zult/zal inklimmen in zult/zal klimmen bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van in en klimmen

Woordfamilie van inklimmen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
ingeklommen voltooid deelwoord inklimmen
inklim subordinate-clause, tegenwoordige tijd inklimmen
inklimme with-subordinate-clause inklimmen
inklimmend onvoltooid deelwoord inklimmen
inklimmende woordvorm inklimmen
inklimt subordinate-clause, tegenwoordige tijd inklimmen
inklom subordinate-clause, verleden tijd inklimmen
inklommen subordinate-clause, verleden tijd inklimmen
klim in gebiedende wijs inklimmen
klimme in woordvorm inklimmen
klimmen in aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon inklimmen
klimt in aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon inklimmen
klom in verleden tijd inklimmen
klommen in aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon inklimmen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van inklimmen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over inklimmen

Wat betekent inklimmen?
Inklimmen is een werkwoord. Het woord betekent: klauterend betreden.
Hoe vervoeg je inklimmen?
Je vervoegt inklimmen als volgt: het voltooid deelwoord is ingeklommen. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord inklimmen is 17 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. I 1
  2. N 1
  3. K 3
  4. L 3
  5. I 1
  6. M 3
  7. M 3
  8. E 1
  9. N 1
  10. 17 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

inklimmen levert met Wordfeud minimaal 19 en maximaal 75 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. I 2
  2. N 1
  3. K 3
  4. L 3
  5. I 2
  6. M 3
  7. M 3
  8. E 1
  9. N 1
  10. 19 zonder bonus
  11. 75 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (K) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

inklimmen in het kort

inklimmen staat in dit woordenboek als werkwoord. Van inklimmen zijn 46 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort inklimmen bij een woordfamilie van 14 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

inklimmen: klauterend betreden
Deel inklimmen — standaardnederlands.nl