induceren
werkwoordBetekenis
- uit een klein aantal gegevens een algemene regel afleiden
- (door inductie) opwekken, beïnvloeden
werkwoord
- opwekken, beïnvloeden
Vervoeging van induceren
inducerenhele werkwoord — induceerdeverleden tijd enkelvoud — induceerdenverleden tijd meervoud — geïnduceerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | induceer | induceerde |
| jij | induceert | induceerde |
| hij, zij, het | induceert | induceerde |
| wij | induceren | induceerden |
| jullie | induceren | induceerden |
| zij | induceren | induceerden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben geïnduceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent geïnduceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is geïnduceerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was geïnduceerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd geïnduceerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt geïnduceerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal geïnduceerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal geïnduceerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou geïnduceerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou geïnduceerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| geïnduceerd | verleden tijd, deelwoord |
| geïnduceerd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geïnduceerd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geïnduceerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geïnduceerd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geïnduceerd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geïnduceerd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geïnduceerd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geïnduceerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geïnduceerd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geïnduceerd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geïnduceerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geïnduceerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geïnduceerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geïnduceerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geïnduceerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geïnduceerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geïnduceerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geïnduceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geïnduceerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geïnduceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geïnduceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geïnduceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geïnduceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geïnduceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geïnduceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| induceer | gebiedende wijs |
| induceerde | verleden tijd |
| inducere | aanvoegende wijs |
| inducerend | onvoltooid, deelwoord |
| is geïnduceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is geïnduceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben geïnduceerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te induceren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen induceren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart geïnduceerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geïnduceerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren geïnduceerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geïnduceerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was geïnduceerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was geïnduceerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was geïnduceerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd geïnduceerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd geïnduceerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd geïnduceerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden geïnduceerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden geïnduceerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden geïnduceerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt geïnduceerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word geïnduceerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden geïnduceerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden geïnduceerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden geïnduceerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt geïnduceerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt geïnduceerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal geïnduceerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geïnduceerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geïnduceerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal geïnduceerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geïnduceerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal geïnduceerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geïnduceerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal induceren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal induceren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal induceren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn geïnduceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn geïnduceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn geïnduceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt geïnduceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou geïnduceerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geïnduceerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geïnduceerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou geïnduceerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geïnduceerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou geïnduceerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geïnduceerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geïnduceerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geïnduceerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou induceren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou induceren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou induceren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geïnduceerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geïnduceerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geïnduceerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geïnduceerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden geïnduceerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden geïnduceerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geïnduceerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geïnduceerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geïnduceerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden induceren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden induceren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden induceren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geïnduceerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geïnduceerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geïnduceerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt induceren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geïnduceerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geïnduceerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geïnduceerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen geïnduceerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen geïnduceerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen geïnduceerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen geïnduceerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geïnduceerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geïnduceerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen induceren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen induceren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen induceren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen induceren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult geïnduceerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult geïnduceerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult geïnduceerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult induceren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van het Franse induire (met het achtervoegsel -eren)
Woordfamilie van induceren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| geïnduceerd | voltooid deelwoord | induceren |
| geïnduceerde | woordvorm | induceren |
| induceer | gebiedende wijs | induceren |
| induceerde | verleden tijd | induceren |
| induceerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | induceren |
| induceert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | induceren |
| inducere | aanvoegende wijs | induceren |
| inducerend | onvoltooid deelwoord | induceren |
| inducerende | woordvorm | induceren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van induceren zijn vastgelegd.