Naar de inhoud

indruisen

~ tegen tegenstrijdig zijn met iets, een regel overtreden

indruisen

werkwoord

Betekenis

  1. ~ tegen tegenstrijdig zijn met iets, een regel overtreden
  2. tweede betekenisomschrijving
  3. enz.

Vervoeging van indruisen

indruisenhele werkwoord — druiste inverleden tijd enkelvoud — druisten inverleden tijd meervoud — ingedruistvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik druis in druiste in
jij druist in druiste in
hij, zij, het druist in druiste in
wij druisen in druisten in
jullie druisen in druisten in
zij druisen in druisten in
Alle 82 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
druis in gebiedende wijs
druiste in verleden tijd
er is ingedruist impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was ingedruist impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd ingedruist impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt ingedruist impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal ingedruist worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal ingedruist zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou ingedruist worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou ingedruist zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had ingedruist voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had ingedruist voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had ingedruist voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden ingedruist voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden ingedruist voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden ingedruist voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt ingedruist voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb ingedruist voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben ingedruist actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben ingedruist voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben ingedruist voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben ingedruist voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt ingedruist voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft ingedruist voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft ingedruist voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
in te druisen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
in te zullen druisen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
in zal druisen bijzin, toekomende tijd
in zou druisen bijzin, voorwaardelijk
in zouden druisen bijzin, voorwaardelijk
in zoudt druisen bijzin, voorwaardelijk
in zullen druisen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
in zullen druisen bijzin, toekomende tijd
in zult druisen bijzin, toekomende tijd
indruis bijzin, tegenwoordige tijd
indruisend onvoltooid, deelwoord
indruist bijzin, tegenwoordige tijd
indruiste bijzin, verleden tijd
indruisten bijzin, verleden tijd
ingedruist verleden tijd, deelwoord
ingedruist te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
ingedruist zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
te hebben ingedruist actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen indruisen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal indruisen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal indruisen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal indruisen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal indruisen bijzin, toekomende tijd
zal ingedruist hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal ingedruist hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal ingedruist hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zou indruisen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou indruisen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou indruisen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou indruisen bijzin, voorwaardelijk
zou ingedruist hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou ingedruist hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou ingedruist hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou(dt) indruisen in zou(dt) druisen bijzin, voorwaardelijk
zouden indruisen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden indruisen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden indruisen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden indruisen bijzin, voorwaardelijk
zouden ingedruist hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden ingedruist hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden ingedruist hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt indruisen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt indruisen bijzin, voorwaardelijk
zoudt ingedruist hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen indruisen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen indruisen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen indruisen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen indruisen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen indruisen bijzin, toekomende tijd
zullen ingedruist hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen ingedruist hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen ingedruist hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult indruisen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult indruisen bijzin, toekomende tijd
zult ingedruist hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult/zal indruisen in zult/zal druisen bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van in bw en druisen ww

Woordfamilie van indruisen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
druis in gebiedende wijs indruisen
druise in woordvorm indruisen
druisen in aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon indruisen
druist in aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon indruisen
druiste in verleden tijd indruisen
druisten in aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon indruisen
indruis subordinate-clause, tegenwoordige tijd indruisen
indruise with-subordinate-clause indruisen
indruisend onvoltooid deelwoord indruisen
indruisende woordvorm indruisen
indruist subordinate-clause, tegenwoordige tijd indruisen
indruiste subordinate-clause, verleden tijd indruisen
indruisten subordinate-clause, verleden tijd indruisen
ingedruist voltooid deelwoord indruisen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van indruisen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over indruisen

Wat is de betekenis van indruisen?
Indruisen is een werkwoord. De betekenis is: ~ tegen tegenstrijdig zijn met iets, een regel overtreden. In totaal staan er 3 betekenissen.
Hoe vervoeg ik indruisen?
Zo vervoeg je indruisen zo: het voltooid deelwoord is ingedruist. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord indruisen is 15 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. I 1
  2. N 1
  3. D 2
  4. R 2
  5. U 4
  6. I 1
  7. S 2
  8. E 1
  9. N 1
  10. 15 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

indruisen levert met Wordfeud minimaal 15 en maximaal 57 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. I 2
  2. N 1
  3. D 2
  4. R 2
  5. U 2
  6. I 2
  7. S 2
  8. E 1
  9. N 1
  10. 15 zonder bonus
  11. 57 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (I) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

indruisen in het kort

indruisen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 3 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van indruisen staan er 53 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort indruisen bij een woordfamilie van 14 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

indruisen: ~ tegen tegenstrijdig zijn met iets, een regel overtreden
Deel indruisen — standaardnederlands.nl