indruisen
werkwoordBetekenis
- ~ tegen tegenstrijdig zijn met iets, een regel overtreden
- tweede betekenisomschrijving
- enz.
Vervoeging van indruisen
indruisenhele werkwoord — druiste inverleden tijd enkelvoud — druisten inverleden tijd meervoud — ingedruistvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | druis in | druiste in |
| jij | druist in | druiste in |
| hij, zij, het | druist in | druiste in |
| wij | druisen in | druisten in |
| jullie | druisen in | druisten in |
| zij | druisen in | druisten in |
Alle 82 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| druis in | gebiedende wijs |
| druiste in | verleden tijd |
| er is ingedruist | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was ingedruist | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd ingedruist | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt ingedruist | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal ingedruist worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal ingedruist zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou ingedruist worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou ingedruist zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had ingedruist | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had ingedruist | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had ingedruist | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden ingedruist | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden ingedruist | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden ingedruist | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt ingedruist | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb ingedruist | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben ingedruist | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben ingedruist | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben ingedruist | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben ingedruist | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt ingedruist | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft ingedruist | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft ingedruist | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| in te druisen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| in te zullen druisen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| in zal druisen | bijzin, toekomende tijd |
| in zou druisen | bijzin, voorwaardelijk |
| in zouden druisen | bijzin, voorwaardelijk |
| in zoudt druisen | bijzin, voorwaardelijk |
| in zullen druisen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| in zullen druisen | bijzin, toekomende tijd |
| in zult druisen | bijzin, toekomende tijd |
| indruis | bijzin, tegenwoordige tijd |
| indruisend | onvoltooid, deelwoord |
| indruist | bijzin, tegenwoordige tijd |
| indruiste | bijzin, verleden tijd |
| indruisten | bijzin, verleden tijd |
| ingedruist | verleden tijd, deelwoord |
| ingedruist te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ingedruist zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| te hebben ingedruist | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen indruisen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal indruisen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal indruisen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal indruisen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal indruisen | bijzin, toekomende tijd |
| zal ingedruist hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ingedruist hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal ingedruist hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou indruisen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou indruisen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou indruisen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou indruisen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou ingedruist hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ingedruist hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ingedruist hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou(dt) indruisen in zou(dt) druisen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden indruisen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden indruisen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden indruisen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden indruisen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden ingedruist hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden ingedruist hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden ingedruist hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt indruisen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt indruisen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt ingedruist hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen indruisen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen indruisen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen indruisen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen indruisen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen indruisen | bijzin, toekomende tijd |
| zullen ingedruist hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen ingedruist hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen ingedruist hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult indruisen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult indruisen | bijzin, toekomende tijd |
| zult ingedruist hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult/zal indruisen in zult/zal druisen | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van in bw en druisen ww
Woordfamilie van indruisen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| druis in | gebiedende wijs | indruisen |
| druise in | woordvorm | indruisen |
| druisen in | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | indruisen |
| druist in | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | indruisen |
| druiste in | verleden tijd | indruisen |
| druisten in | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | indruisen |
| indruis | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | indruisen |
| indruise | with-subordinate-clause | indruisen |
| indruisend | onvoltooid deelwoord | indruisen |
| indruisende | woordvorm | indruisen |
| indruist | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | indruisen |
| indruiste | subordinate-clause, verleden tijd | indruisen |
| indruisten | subordinate-clause, verleden tijd | indruisen |
| ingedruist | voltooid deelwoord | indruisen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van indruisen zijn vastgelegd.