immigreren
werkwoordBetekenis
- een land binnenkomen om zich er metterwoon te vestigen
Vervoeging van immigreren
immigrerenhele werkwoord — immigreerdeverleden tijd enkelvoud — immigreerdenverleden tijd meervoud — geïmmigreerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | immigreer | immigreerde |
| jij | immigreert | immigreerde |
| hij, zij, het | immigreert | immigreerde |
| wij | immigreren | immigreerden |
| jullie | immigreren | immigreerden |
| zij | immigreren | immigreerden |
Alle 56 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben geïmmigreerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent geïmmigreerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| ev. | gebiedende wijs |
| geïmmigreerd | verleden tijd, deelwoord |
| geïmmigreerd te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geïmmigreerd zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| immigreer | gebiedende wijs |
| immigreerde | verleden tijd |
| immigrere | aanvoegende wijs |
| immigrerend | onvoltooid, deelwoord |
| is geïmmigreerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is geïmmigreerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te immigreren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zijn geïmmigreerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen immigreren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart geïmmigreerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geïmmigreerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren geïmmigreerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geïmmigreerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was geïmmigreerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was geïmmigreerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was geïmmigreerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal geïmmigreerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geïmmigreerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geïmmigreerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal immigreren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal immigreren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal immigreren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn geïmmigreerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn geïmmigreerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn geïmmigreerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn geïmmigreerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt geïmmigreerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou geïmmigreerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geïmmigreerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geïmmigreerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou immigreren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou immigreren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou immigreren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geïmmigreerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geïmmigreerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geïmmigreerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden immigreren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden immigreren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden immigreren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geïmmigreerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt immigreren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geïmmigreerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geïmmigreerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geïmmigreerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen immigreren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen immigreren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen immigreren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen immigreren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult geïmmigreerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult immigreren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van het Franse immigrer (met het achtervoegsel -eren)
Woordfamilie van immigreren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| geïmmigreerd | voltooid deelwoord | immigreren |
| geïmmigreerde | woordvorm | immigreren |
| immigreer | gebiedende wijs | immigreren |
| immigreerde | verleden tijd | immigreren |
| immigreerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | immigreren |
| immigreert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | immigreren |
| immigrere | aanvoegende wijs | immigreren |
| immigrerend | onvoltooid deelwoord | immigreren |
| immigrerende | woordvorm | immigreren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van immigreren zijn vastgelegd.