immigrant
zelfstandig naamwoord /ˈɪmiɣrɑnt/Betekenis
- iemand die zich in een voor hem nieuw land vestigt of recentelijk heeft gevestigd, een inkomend landverhuizer
- van migranten, betrekking hebbend op migranten, migranten-
- landverhuizer,
Hoe spreek je immigrant uit?
/ˈɪmixrɑnt/
Immigrant bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɪ | pit |
| m | maan |
| i | riet |
| x | acht |
| r | rood |
| ɑ | bad |
| n | nek |
| t | tak |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| immigranten | meervoud |
| immigrantje | verkleinwoord, enkelvoud |
| immigrantjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
via Frans immigrant ontleend aan Latijn immigrans, als antoniem van emigrant aangetroffen vanaf 1799 (zie vindplaats hieronder); op te vatten als naamwoord van handeling van immigreren met het achtervoegsel -ant of afleiding van migrant met het uitheemse voorvoegsel in- (3)
Woordfamilie van immigrant
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| immigranten | meervoud | immigrant |
| immigrantje | verkleinwoord | immigrant |
| immigrantjes | verkleinwoord meervoud | immigrant |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van immigrant zijn vastgelegd.