illumineren
werkwoordBetekenis
- feestelijk verlichten
- met ornamenten versieren, illustreren
- met doorschijnende kleuren opwerken
Vervoeging van illumineren
illuminerenhele werkwoord — illumineerdeverleden tijd enkelvoud — illumineerdenverleden tijd meervoud — geïllumineerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | illumineer | illumineerde |
| jij | illumineert | illumineerde |
| hij, zij, het | illumineert | illumineerde |
| wij | illumineren | illumineerden |
| jullie | illumineren | illumineerden |
| zij | illumineren | illumineerden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben geïllumineerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent geïllumineerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is geïllumineerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was geïllumineerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd geïllumineerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt geïllumineerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal geïllumineerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal geïllumineerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou geïllumineerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou geïllumineerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| geïllumineerd | verleden tijd, deelwoord |
| geïllumineerd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geïllumineerd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geïllumineerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geïllumineerd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geïllumineerd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geïllumineerd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geïllumineerd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geïllumineerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geïllumineerd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geïllumineerd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geïllumineerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geïllumineerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geïllumineerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geïllumineerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geïllumineerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geïllumineerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geïllumineerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geïllumineerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geïllumineerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geïllumineerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geïllumineerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geïllumineerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geïllumineerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geïllumineerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geïllumineerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| illumineer | gebiedende wijs |
| illumineerde | verleden tijd |
| illuminere | aanvoegende wijs |
| illuminerend | onvoltooid, deelwoord |
| is geïllumineerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is geïllumineerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben geïllumineerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te illumineren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen illumineren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart geïllumineerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geïllumineerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren geïllumineerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geïllumineerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was geïllumineerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was geïllumineerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was geïllumineerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd geïllumineerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd geïllumineerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd geïllumineerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden geïllumineerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden geïllumineerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden geïllumineerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt geïllumineerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word geïllumineerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden geïllumineerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden geïllumineerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden geïllumineerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt geïllumineerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt geïllumineerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal geïllumineerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geïllumineerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geïllumineerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal geïllumineerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geïllumineerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal geïllumineerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geïllumineerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal illumineren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal illumineren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal illumineren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn geïllumineerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn geïllumineerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn geïllumineerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt geïllumineerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou geïllumineerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geïllumineerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geïllumineerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou geïllumineerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geïllumineerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou geïllumineerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geïllumineerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geïllumineerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geïllumineerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou illumineren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou illumineren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou illumineren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geïllumineerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geïllumineerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geïllumineerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geïllumineerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden geïllumineerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden geïllumineerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geïllumineerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geïllumineerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geïllumineerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden illumineren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden illumineren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden illumineren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geïllumineerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geïllumineerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geïllumineerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt illumineren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geïllumineerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geïllumineerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geïllumineerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen geïllumineerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen geïllumineerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen geïllumineerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen geïllumineerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geïllumineerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geïllumineerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen illumineren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen illumineren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen illumineren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen illumineren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult geïllumineerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult geïllumineerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult geïllumineerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult illumineren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘verlichten, versieren’ voor het eerst aangetroffen in 1450
Woordfamilie van illumineren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| geïllumineerd | voltooid deelwoord | illumineren |
| geïllumineerde | woordvorm | illumineren |
| illumineer | gebiedende wijs | illumineren |
| illumineerde | verleden tijd | illumineren |
| illumineerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | illumineren |
| illumineert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | illumineren |
| illuminere | aanvoegende wijs | illumineren |
| illuminerend | onvoltooid deelwoord | illumineren |
| illuminerende | woordvorm | illumineren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van illumineren zijn vastgelegd.