Naar de inhoud

ijshockeyen

de ijssport ijshockey beoefenen

ijshockeyen

werkwoord

Betekenis

  1. de ijssport ijshockey beoefenen

Vervoeging van ijshockeyen

ijshockeyenhele werkwoord — ijshockeydeverleden tijd enkelvoud — ijshockeydenverleden tijd meervoud — geijshockeydvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik ijshockey ijshockeyde
jij ijshockeyt ijshockeyde
hij, zij, het ijshockeyt ijshockeyde
wij ijshockeyen ijshockeyden
jullie ijshockeyen ijshockeyden
zij ijshockeyen ijshockeyden
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
er is geijshockeyd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was geijshockeyd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd geijshockeyd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt geijshockeyd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal geijshockeyd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal geijshockeyd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou geijshockeyd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou geijshockeyd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
geijshockeyd verleden tijd, deelwoord
geijshockeyd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
geijshockeyd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had geijshockeyd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had geijshockeyd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had geijshockeyd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden geijshockeyd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden geijshockeyd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden geijshockeyd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt geijshockeyd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb geijshockeyd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geijshockeyd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben geijshockeyd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geijshockeyd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben geijshockeyd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt geijshockeyd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geijshockeyd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geijshockeyd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
ijshockey gebiedende wijs
ijshockeyde verleden tijd
ijshockeye aanvoegende wijs
ijshockeyend onvoltooid, deelwoord
te hebben geijshockeyd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te ijshockeyen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen ijshockeyen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal geijshockeyd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geijshockeyd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal geijshockeyd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal ijshockeyen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal ijshockeyen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal ijshockeyen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zou geijshockeyd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geijshockeyd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geijshockeyd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou ijshockeyen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou ijshockeyen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou ijshockeyen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden geijshockeyd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden geijshockeyd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden geijshockeyd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden ijshockeyen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden ijshockeyen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden ijshockeyen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt geijshockeyd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt ijshockeyen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen geijshockeyd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen geijshockeyd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen geijshockeyd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen ijshockeyen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen ijshockeyen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen ijshockeyen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen ijshockeyen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult geijshockeyd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult ijshockeyen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Herkomst

samenstelling van ijs en hockeyen

Woordfamilie van ijshockeyen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
geijshockeyd voltooid deelwoord ijshockeyen
ijshockeyde verleden tijd ijshockeyen
ijshockeyden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon ijshockeyen
ijshockeye aanvoegende wijs ijshockeyen
ijshockeyend onvoltooid deelwoord ijshockeyen
ijshockeyende woordvorm ijshockeyen
ijshockeyt aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon ijshockeyen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van ijshockeyen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over ijshockeyen

Wat betekent ijshockeyen?
Ijshockeyen is een werkwoord. Het woord betekent: de ijssport ijshockey beoefenen.
Hoe vervoeg je ijshockeyen?
Je vervoegt ijshockeyen als volgt: de tegenwoordige tijd is ijshockey, de verleden tijd is ijshockeyde en het voltooid deelwoord is geijshockeyd. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord ijshockeyen is 31 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. I 1
  2. J 4
  3. S 2
  4. H 4
  5. O 1
  6. C 5
  7. K 3
  8. E 1
  9. Y 8
  10. E 1
  11. N 1
  12. 31 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

ijshockeyen levert met Wordfeud minimaal 32 en maximaal 144 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. I 2
  2. J 4
  3. S 2
  4. H 4
  5. O 1
  6. C 5
  7. K 3
  8. E 1
  9. Y 8
  10. E 1
  11. N 1
  12. 32 zonder bonus
  13. 144 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (Y) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

ijshockeyen in het kort

ijshockeyen staat in dit woordenboek als werkwoord. Van ijshockeyen zijn 40 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort ijshockeyen bij een woordfamilie van 7 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

ijshockeyen: de ijssport ijshockey beoefenen
Deel ijshockeyen — standaardnederlands.nl