ijshockey
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- ijssport waarbij twee teams van ieder vijf persoon|personen plus goalie met behulp van een stick een schijfje (puck) in het doel van de tegenstander proberen te schieten
zelfstandig naamwoord — neuter
- ijssport waarbij twee teams van ieder vijf personen plus goalie met behulp van een stick een schijfje (puck) in het doel van de tegenstander proberen te schieten
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van ijshockeyen
- gebiedende wijs van ijshockeyen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van ijshockeyen
Vervoeging van ijshockey
ijshockeyhele werkwoord
Herkomst
samenstelling van ijs en hockey