Naar de inhoud

hypothekeren

als hypotheek stellen

hypothekeren

werkwoord ˌhypoˈtekərə(n)

Betekenis

  1. als hypotheek stellen
  2. de realisering of het voortbestaan van iets bemoeilijken of in gevaar brengen

Hoe spreek je hypothekeren uit?

/ˌhypoˈtekərən/

Hypothekeren bestaat uit vijf lettergrepen. De klemtoon ligt op de derde.

De tekens in /ˌhypoˈtekərən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
h hoed
y fuut
p pak
o boot
t tak
e veel
k kat
ə de
r rood
n nek
ˌ een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van hypothekeren

hypothekerenhele werkwoord — hypothekeerdeverleden tijd enkelvoud — hypothekeerdenverleden tijd meervoud — gehypothekeerdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik hypothekeer hypothekeerde
jij hypothekeert hypothekeerde
hij, zij, het hypothekeert hypothekeerde
wij hypothekeren hypothekeerden
jullie hypothekeren hypothekeerden
zij hypothekeren hypothekeerden
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben gehypothekeerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent gehypothekeerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is gehypothekeerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was gehypothekeerd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd gehypothekeerd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt gehypothekeerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal gehypothekeerd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal gehypothekeerd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou gehypothekeerd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou gehypothekeerd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
gehypothekeerd verleden tijd, deelwoord
gehypothekeerd te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gehypothekeerd te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gehypothekeerd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gehypothekeerd te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
gehypothekeerd te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gehypothekeerd worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gehypothekeerd zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gehypothekeerd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
gehypothekeerd zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
gehypothekeerd zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had gehypothekeerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gehypothekeerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gehypothekeerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gehypothekeerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gehypothekeerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gehypothekeerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gehypothekeerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb gehypothekeerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gehypothekeerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gehypothekeerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gehypothekeerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gehypothekeerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gehypothekeerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gehypothekeerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gehypothekeerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hypothekeer gebiedende wijs
hypothekeerde verleden tijd
hypothekere aanvoegende wijs
hypothekerend onvoltooid, deelwoord
is gehypothekeerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is gehypothekeerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben gehypothekeerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te hypothekeren actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen hypothekeren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart gehypothekeerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gehypothekeerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren gehypothekeerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gehypothekeerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
was gehypothekeerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was gehypothekeerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was gehypothekeerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd gehypothekeerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd gehypothekeerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd gehypothekeerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden gehypothekeerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden gehypothekeerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden gehypothekeerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt gehypothekeerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word gehypothekeerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden gehypothekeerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden gehypothekeerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden gehypothekeerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt gehypothekeerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt gehypothekeerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal gehypothekeerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gehypothekeerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gehypothekeerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal gehypothekeerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gehypothekeerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal gehypothekeerd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gehypothekeerd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal hypothekeren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal hypothekeren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal hypothekeren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zijn gehypothekeerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn gehypothekeerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn gehypothekeerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt gehypothekeerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou gehypothekeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gehypothekeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gehypothekeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou gehypothekeerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gehypothekeerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou gehypothekeerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gehypothekeerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gehypothekeerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gehypothekeerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou hypothekeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou hypothekeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou hypothekeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden gehypothekeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gehypothekeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gehypothekeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gehypothekeerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden gehypothekeerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden gehypothekeerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gehypothekeerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gehypothekeerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gehypothekeerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden hypothekeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden hypothekeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden hypothekeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt gehypothekeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gehypothekeerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gehypothekeerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt hypothekeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen gehypothekeerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gehypothekeerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gehypothekeerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gehypothekeerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen gehypothekeerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen gehypothekeerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gehypothekeerd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gehypothekeerd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gehypothekeerd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen hypothekeren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen hypothekeren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen hypothekeren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen hypothekeren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult gehypothekeerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult gehypothekeerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult gehypothekeerd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult hypothekeren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Herkomst

afgeleid van het Griekse 'tithénai' (stellen, leggen) met het voorvoegsel hypo-

Woordfamilie van hypothekeren

Woordvorm Relatie Afgeleid van
gehypothekeerd voltooid deelwoord hypothekeren
gehypothekeerde woordvorm hypothekeren
hypothekeer gebiedende wijs hypothekeren
hypothekeerde verleden tijd hypothekeren
hypothekeerden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon hypothekeren
hypothekeert aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon hypothekeren
hypothekere aanvoegende wijs hypothekeren
hypothekerend onvoltooid deelwoord hypothekeren
hypothekerende woordvorm hypothekeren

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van hypothekeren zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over hypothekeren

Hoe spreek je hypothekeren uit?
De uitspraak van hypothekeren is: /ˌhypoˈtekərə(n)/. Dit is het internationaal fonetisch alfabet, waarmee elke klank apart wordt genoteerd.
Wat betekent hypothekeren?
Hypothekeren is een werkwoord. Het woord betekent: als hypotheek stellen. Deze pagina beschrijft 2 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je hypothekeren?
Je vervoegt hypothekeren als volgt: de tegenwoordige tijd is hypothekeer, de verleden tijd is hypothekeerde en het voltooid deelwoord is gehypothekeerd. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord hypothekeren is 31 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. H 4
  2. Y 8
  3. P 3
  4. O 1
  5. T 2
  6. H 4
  7. E 1
  8. K 3
  9. E 1
  10. R 2
  11. E 1
  12. N 1
  13. 31 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

hypothekeren levert met Wordfeud minimaal 32 en maximaal 144 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. H 4
  2. Y 8
  3. P 4
  4. O 1
  5. T 2
  6. H 4
  7. E 1
  8. K 3
  9. E 1
  10. R 2
  11. E 1
  12. N 1
  13. 32 zonder bonus
  14. 144 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (Y) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

hypothekeren in het kort

hypothekeren staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 2 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van hypothekeren zijn 75 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort hypothekeren bij een woordfamilie van 9 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

hypothekeren: als hypotheek stellen
Deel hypothekeren — standaardnederlands.nl