hupsen
werkwoord /hʏpsə(n)/Betekenis
- zich schoksgewijze bewegen
- springerig dansen
- nauwelijks verstaanbaar uitspreken
Hoe spreek je hupsen uit?
/hʏpsən/
Hupsen bestaat uit twee lettergrepen.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| h | hoed |
| ʏ | put |
| p | pak |
| s | sok |
| ə | de |
| n | nek |
Vervoeging van hupsen
hupsenhele werkwoord — hupsteverleden tijd enkelvoud — hupstenverleden tijd meervoud — gehupstvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | hups | hupste |
| jij | hupst | hupste |
| hij, zij, het | hupst | hupste |
| wij | hupsen | hupsten |
| jullie | hupsen | hupsten |
| zij | hupsen | hupsten |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gehupst | verleden tijd, deelwoord |
| gehupst te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gehupst zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gehupst | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gehupst | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gehupst | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gehupst | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gehupst | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gehupst | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gehupst | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gehupst | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gehupst | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gehupst | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gehupst | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gehupst | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gehupst | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gehupst | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gehupst | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hups | gebiedende wijs |
| hupse | aanvoegende wijs |
| hupsend | onvoltooid, deelwoord |
| hupste | verleden tijd |
| te hebben gehupst | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hupsen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen hupsen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gehupst hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gehupst hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gehupst hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal hupsen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal hupsen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal hupsen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gehupst hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gehupst hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gehupst hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou hupsen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou hupsen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou hupsen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gehupst hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gehupst hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gehupst hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden hupsen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden hupsen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden hupsen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gehupst hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt hupsen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gehupst hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gehupst hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gehupst hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen hupsen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen hupsen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen hupsen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen hupsen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gehupst hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult hupsen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
[1], [2] verwant met huppen en hupsakee, mogelijk onder invloed van hups
Woordfamilie van hupsen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gehupst | voltooid deelwoord | hupsen |
| gehupste | woordvorm | hupsen |
| hupsend | onvoltooid deelwoord | hupsen |
| hupsende | woordvorm | hupsen |
| hupsten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | hupsen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van hupsen zijn vastgelegd.