hups
bijvoeglijk naamwoord, werkwoordBetekenis
- opgewekt, blijmoedig
Verbuiging en vervoeging (bijvoeglijk naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| hupse | verbogen, stellende trap |
| hupser | onverbogen, vergrotende trap |
| hupsere | verbogen, vergrotende trap |
| hupsers | partitief, vergrotende trap |
| hupst | onverbogen, overtreffende trap |
| hupste | verbogen, overtreffende trap |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van hupsen
- gebiedende wijs van hupsen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van hupsen
Vervoeging van hups
hupshele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘aardig’ voor het eerst aangetroffen in 1477
Woordfamilie van hups
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| hupser | vergrotende trap | hups |
| hupsere | verbogen vergrotende trap | hups |
| hupsers | partitieve vergrotende trap | hups |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van hups zijn vastgelegd.