huisvesten
werkwoord ˈhœysfɛstə(n)Betekenis
- een vaste woonplaats geven
Hoe spreek je huisvesten uit?
/ˈhœysfɛstən/
Huisvesten bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| h | hoed |
| œy | huis |
| s | sok |
| f | fiets |
| ɛ | bed |
| t | tak |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- geven van een vaste of tijdelijke woon- of verblijfplaats transitive
Vervoeging van huisvesten
huisvestenhele werkwoord — huisvestteverleden tijd enkelvoud — huisvesttenverleden tijd meervoud — gehuisvestvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | huisvest | huisvestte |
| jij | huisvest | huisvestte |
| hij, zij, het | huisvest | huisvestte |
| wij | huisvesten | huisvestten |
| jullie | huisvesten | huisvestten |
| zij | huisvesten | huisvestten |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben gehuisvest | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gehuisvest | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is gehuisvest | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gehuisvest | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gehuisvest | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gehuisvest | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gehuisvest worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gehuisvest zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gehuisvest worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gehuisvest zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gehuisvest | verleden tijd, deelwoord |
| gehuisvest te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gehuisvest te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gehuisvest te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gehuisvest te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gehuisvest te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gehuisvest worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gehuisvest zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gehuisvest zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gehuisvest zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gehuisvest zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gehuisvest | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gehuisvest | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gehuisvest | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gehuisvest | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gehuisvest | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gehuisvest | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gehuisvest | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gehuisvest | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gehuisvest | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gehuisvest | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gehuisvest | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gehuisvest | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gehuisvest | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gehuisvest | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gehuisvest | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| huisvest | gebiedende wijs |
| huisveste | aanvoegende wijs |
| huisvestend | onvoltooid, deelwoord |
| huisvestte | verleden tijd |
| is gehuisvest | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gehuisvest | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben gehuisvest | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te huisvesten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen huisvesten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gehuisvest | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gehuisvest | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gehuisvest | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gehuisvest | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gehuisvest | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gehuisvest | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gehuisvest | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gehuisvest | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd gehuisvest | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd gehuisvest | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden gehuisvest | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden gehuisvest | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden gehuisvest | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt gehuisvest | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word gehuisvest | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden gehuisvest | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden gehuisvest | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden gehuisvest | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gehuisvest | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt gehuisvest | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal gehuisvest hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gehuisvest hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gehuisvest hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gehuisvest worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gehuisvest worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gehuisvest zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gehuisvest zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal huisvesten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal huisvesten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal huisvesten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn gehuisvest | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gehuisvest | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gehuisvest | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gehuisvest | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou gehuisvest hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gehuisvest hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gehuisvest hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gehuisvest worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gehuisvest worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gehuisvest worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gehuisvest zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gehuisvest zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gehuisvest zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou huisvesten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou huisvesten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou huisvesten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gehuisvest hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gehuisvest hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gehuisvest hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gehuisvest worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gehuisvest worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gehuisvest worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gehuisvest zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gehuisvest zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gehuisvest zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden huisvesten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden huisvesten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden huisvesten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gehuisvest hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gehuisvest worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gehuisvest zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt huisvesten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gehuisvest hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gehuisvest hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gehuisvest hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gehuisvest worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gehuisvest worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gehuisvest worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gehuisvest zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gehuisvest zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gehuisvest zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen huisvesten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen huisvesten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen huisvesten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen huisvesten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gehuisvest hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gehuisvest worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gehuisvest zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult huisvesten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Samenstelling van huis en een (causatief) van vast (maken).
Woordfamilie van huisvesten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gehuisvest | voltooid deelwoord | huisvesten |
| huisvest | gebiedende wijs | huisvesten |
| huisveste | aanvoegende wijs | huisvesten |
| huisvestend | onvoltooid deelwoord | huisvesten |
| huisvestende | woordvorm | huisvesten |
| huisvestte | verleden tijd | huisvesten |
| huisvestten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | huisvesten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van huisvesten zijn vastgelegd.