Naar de inhoud

huishouden

een grote rommel of vernietiging achterlaten

huishouden is meer dan één woord

huishouden

werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈhœyshɑudə(n)

Betekenis

  1. een grote rommel of vernietiging achterlaten
  2. de huishouding doen
  3. een familie die een samenwonende economische eenheid vormt

Hoe spreek je huishouden uit?

/ˈhœyshɑudən/

Huishouden bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈhœyshɑudən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
h hoed
œy huis
s sok
ɑu koud
d dak
ə de
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van huishouden

huishoudenhele werkwoord — hield huisverleden tijd enkelvoud — hielden huisverleden tijd meervoud — huisgehoudenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik hou huis hield huis
jij houdt huis hield huis
hij, zij, het houdt huis hield huis
wij houden huis hielden huis
jullie houden huis hielden huis
zij houden huis hielden huis
Alle 76 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ev. gebiedende wijs
had huisgehouden voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had huisgehouden voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had huisgehouden voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden huisgehouden voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden huisgehouden voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden huisgehouden voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt huisgehouden voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb huisgehouden voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben huisgehouden actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben huisgehouden voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben huisgehouden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben huisgehouden voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt huisgehouden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft huisgehouden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft huisgehouden voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hield huis verleden tijd
hou huis gebiedende wijs
houd huis gebiedende wijs
huis te houden actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
huis te zullen houden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
huis zal houden bijzin, toekomende tijd
huis zou houden bijzin, voorwaardelijk
huis zouden houden bijzin, voorwaardelijk
huis zoudt houden bijzin, voorwaardelijk
huis zullen houden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
huis zullen houden bijzin, toekomende tijd
huis zult houden bijzin, toekomende tijd
huisgehouden verleden tijd, deelwoord
huisgehouden te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
huisgehouden zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
huishield bijzin, verleden tijd
huishielden bijzin, verleden tijd
huishou bijzin, tegenwoordige tijd
huishoud bijzin, tegenwoordige tijd
huishoudend onvoltooid, deelwoord
huishoudt bijzin, tegenwoordige tijd
te hebben huisgehouden actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen huishouden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal huisgehouden hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal huisgehouden hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal huisgehouden hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal huishouden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal huishouden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal huishouden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal huishouden bijzin, toekomende tijd
zou huisgehouden hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou huisgehouden hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou huisgehouden hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou huishouden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou huishouden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou huishouden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou huishouden bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) huishouden huis zou(dt) houden bijzin, voorwaardelijk
zouden huisgehouden hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden huisgehouden hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden huisgehouden hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden huishouden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden huishouden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden huishouden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden huishouden bijzin, voorwaardelijk
zoudt huisgehouden hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt huishouden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt huishouden bijzin, voorwaardelijk
zullen huisgehouden hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen huisgehouden hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen huisgehouden hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen huishouden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen huishouden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen huishouden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen huishouden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen huishouden bijzin, toekomende tijd
zult huisgehouden hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult huishouden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult huishouden bijzin, toekomende tijd
zult/zal huishouden huis zult/zal houden bijzin, toekomende tijd

zelfstandig naamwoord — neuter

  1. een groep van één of meer samenwonende mensen die samen een economische eenheid vormt

Herkomst

samenstelling van huis en houden

Woordfamilie van huishouden

Woordvorm Relatie Afgeleid van
hield huis verleden tijd huishouden
hielden huis aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon huishouden
hou huis gebiedende wijs huishouden
houd huis gebiedende wijs huishouden
houde huis woordvorm huishouden
houden huis aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon huishouden
houdt huis aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon huishouden
huisgehouden voltooid deelwoord huishouden
huishield subordinate-clause, verleden tijd huishouden
huishielden subordinate-clause, verleden tijd huishouden
huishou subordinate-clause, tegenwoordige tijd huishouden
huishoud subordinate-clause, tegenwoordige tijd huishouden
huishoude with-subordinate-clause huishouden
huishoudend onvoltooid deelwoord huishouden
huishoudende woordvorm huishouden
huishoudens meervoud huishouden
huishoudentje woordvorm huishouden
huishoudentjes meervoud huishouden
huishoudt subordinate-clause, tegenwoordige tijd huishouden

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van huishouden zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over huishouden

Hoe spreek ik huishouden uit?
Zo spreek je huishouden uit: /ˈhœyshɑudə(n)/. Dat is de weergave in het internationaal fonetisch alfabet, waarin elke klank een eigen teken heeft. Het streepje ˈ markeert de klemtoon: die ligt op de eerste lettergreep.
Wat is de betekenis van huishouden?
Huishouden is een werkwoord. De betekenis is: een grote rommel of vernietiging achterlaten. In totaal staan er 4 betekenissen.
Hoe vervoeg ik huishouden?
Zo vervoeg je huishouden zo: het voltooid deelwoord is huisgehouden. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord huishouden is 24 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. H 4
  2. U 4
  3. I 1
  4. S 2
  5. H 4
  6. O 1
  7. U 4
  8. D 2
  9. E 1
  10. N 1
  11. 24 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

huishouden levert met Wordfeud minimaal 21 en maximaal 87 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. H 4
  2. U 2
  3. I 2
  4. S 2
  5. H 4
  6. O 1
  7. U 2
  8. D 2
  9. E 1
  10. N 1
  11. 21 zonder bonus
  12. 87 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (H) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

huishouden in het kort

huishouden is zowel werkwoord als zelfstandig naamwoord. Wat het is, hangt af van de zin. Hierboven vind je 4 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van huishouden staan er 47 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort huishouden bij een woordfamilie van 19 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

huishouden: een grote rommel of vernietiging achterlaten
Deel huishouden — standaardnederlands.nl