huif
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- kapje dat een valk wordt opgezet om de vogel rustig te houden
- een zeildoek over een wagen dat door dunne bogen ondersteund wordt
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| huifje | verkleinwoord, enkelvoud |
| huifjes | verkleinwoord, meervoud |
| huiven | meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van huiven
- gebiedende wijs van huiven
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van huiven
Vervoeging van huif
huifhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘kap’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240
Woordfamilie van huif
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| huifje | verkleinwoord | huif |
| huifjes | verkleinwoord meervoud | huif |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van huif zijn vastgelegd.