huichelen
werkwoordBetekenis
- veinzen, doen alsof
Vervoeging van huichelen
huichelenhele werkwoord — huicheldeverleden tijd enkelvoud — huicheldenverleden tijd meervoud — gehuicheldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | huichel | huichelde |
| jij | huichelt | huichelde |
| hij, zij, het | huichelt | huichelde |
| wij | huichelen | huichelden |
| jullie | huichelen | huichelden |
| zij | huichelen | huichelden |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is gehuicheld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gehuicheld | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gehuicheld | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gehuicheld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gehuicheld worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gehuicheld zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gehuicheld worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gehuicheld zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gehuicheld | verleden tijd, deelwoord |
| gehuicheld te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gehuicheld zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gehuicheld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gehuicheld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gehuicheld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gehuicheld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gehuicheld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gehuicheld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gehuicheld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gehuicheld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gehuicheld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gehuicheld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gehuicheld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gehuicheld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gehuicheld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gehuicheld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gehuicheld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| huichel | gebiedende wijs |
| huichelde | verleden tijd |
| huichele | aanvoegende wijs |
| huichelend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gehuicheld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te huichelen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen huichelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gehuicheld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gehuicheld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gehuicheld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal huichelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal huichelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal huichelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gehuicheld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gehuicheld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gehuicheld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou huichelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou huichelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou huichelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gehuicheld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gehuicheld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gehuicheld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden huichelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden huichelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden huichelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gehuicheld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt huichelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gehuicheld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gehuicheld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gehuicheld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen huichelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen huichelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen huichelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen huichelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gehuicheld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult huichelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘veinzen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1562
Woordfamilie van huichelen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| huichel | gebiedende wijs | huichelen |
| huichelde | verleden tijd | huichelen |
| huichelden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | huichelen |
| huichele | aanvoegende wijs | huichelen |
| huichelend | onvoltooid deelwoord | huichelen |
| huichelende | woordvorm | huichelen |
| huichelt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | huichelen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van huichelen zijn vastgelegd.