hozen
werkwoord, zelfstandig naamwoordBetekenis
- water uit een boot scheppen
- stortregenen, hevig regenen
Vervoeging van hozen
hozenhele werkwoord — hoosdeverleden tijd enkelvoud — hoosdenverleden tijd meervoud — gehoosdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | hoos | hoosde |
| jij | hoost | hoosde |
| hij, zij, het | hoost | hoosde |
| wij | hozen | hoosden |
| jullie | hozen | hoosden |
| zij | hozen | hoosden |
Alle 66 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is gehoosd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gehoosd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gehoosd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gehoosd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gehoosd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gehoosd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gehoosd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gehoosd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gehoosd | verleden tijd, deelwoord |
| gehoosd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gehoosd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gehoosd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gehoosd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gehoosd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gehoosd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gehoosd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gehoosd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gehoosd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gehoosd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gehoosd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gehoosd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gehoosd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gehoosd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gehoosd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gehoosd | verleden tijd, deelwoord |
| heeft gehoosd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gehoosd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hoos | gebiedende wijs |
| hoosde | verleden tijd |
| hoost | tegenwoordige tijd |
| hoze | aanvoegende wijs |
| hozend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gehoosd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hozen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen hozen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gehoosd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gehoosd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gehoosd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal hozen | toekomende tijd |
| zal hozen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal hozen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal hozen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gehoosd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gehoosd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gehoosd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou hozen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou hozen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou hozen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gehoosd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gehoosd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gehoosd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden hozen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden hozen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden hozen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gehoosd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt hozen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gehoosd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gehoosd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gehoosd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen hozen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen hozen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen hozen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen hozen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gehoosd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult hozen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord hoos
Herkomst
In de betekenis van ‘water scheppen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1588
Woordfamilie van hozen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gehoosd | voltooid deelwoord | hozen |
| gehoosde | woordvorm | hozen |
| hoosde | verleden tijd | hozen |
| hoosden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | hozen |
| hoost | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | hozen |
| hoze | aanvoegende wijs | hozen |
| hozend | onvoltooid deelwoord | hozen |
| hozende | woordvorm | hozen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van hozen zijn vastgelegd.