hosselen
werkwoord ˈhɔsələ(n)Betekenis
- (Suriname) zich inspannen, zijn best doen, moeizaam inkomen verwerven uit tal van bezigheden
- (Nederland) een (illegaal) (straat)handeltje drijven (met name om drugs te kunnen betalen)
Hoe spreek je hosselen uit?
/ˈhɔsələn/
Hosselen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| h | hoed |
| ɔ | bot |
| s | sok |
| ə | de |
| l | land |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- zich inspannen, zijn best doen, moeizaam inkomen verwerven uit tal van bezigheden
- een (illegaal) (straat)handeltje drijven (met name om drugs te kunnen betalen)
Vervoeging van hosselen
hosselenhele werkwoord — hosseldeverleden tijd enkelvoud — hosseldenverleden tijd meervoud — gehosseldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | hossel | hosselde |
| jij | hosselt | hosselde |
| hij, zij, het | hosselt | hosselde |
| wij | hosselen | hosselden |
| jullie | hosselen | hosselden |
| zij | hosselen | hosselden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gehosseld | verleden tijd, deelwoord |
| gehosseld te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gehosseld zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gehosseld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gehosseld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gehosseld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gehosseld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gehosseld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gehosseld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gehosseld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gehosseld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gehosseld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gehosseld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gehosseld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gehosseld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gehosseld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gehosseld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gehosseld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hossel | gebiedende wijs |
| hosselde | verleden tijd |
| hossele | aanvoegende wijs |
| hosselend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gehosseld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hosselen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen hosselen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gehosseld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gehosseld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gehosseld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal hosselen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal hosselen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal hosselen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gehosseld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gehosseld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gehosseld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou hosselen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou hosselen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou hosselen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gehosseld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gehosseld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gehosseld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden hosselen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden hosselen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden hosselen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gehosseld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt hosselen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gehosseld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gehosseld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gehosseld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen hosselen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen hosselen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen hosselen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen hosselen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gehosseld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult hosselen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
[1] van Amerikaans Engels hustle "iets op gewiekste wijze kopen of verkopen" dat weer teruggaat op Middelnederlands hutselen
Woordfamilie van hosselen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gehosseld | voltooid deelwoord | hosselen |
| hosselde | verleden tijd | hosselen |
| hosselden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | hosselen |
| hossele | aanvoegende wijs | hosselen |
| hosselend | onvoltooid deelwoord | hosselen |
| hosselende | woordvorm | hosselen |
| hosselt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | hosselen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van hosselen zijn vastgelegd.