Naar de inhoud

hospitaliseren

in een ziekenhuis opnemen

hospitaliseren

werkwoord

Betekenis

  1. in een ziekenhuis opnemen
  2. zo gewend zijn geraakt aan de verzorging in een ziekenhuis dat men zich daarbuiten nauwelijks kan handhaven

Vervoeging van hospitaliseren

hospitaliserenhele werkwoord — hospitaliseerdeverleden tijd enkelvoud — hospitaliseerdenverleden tijd meervoud — gehospitaliseerdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik hospitaliseer hospitaliseerde
jij hospitaliseert hospitaliseerde
hij, zij, het hospitaliseert hospitaliseerde
wij hospitaliseren hospitaliseerden
jullie hospitaliseren hospitaliseerden
zij hospitaliseren hospitaliseerden
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben gehospitaliseerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent gehospitaliseerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is gehospitaliseerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was gehospitaliseerd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd gehospitaliseerd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt gehospitaliseerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal gehospitaliseerd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal gehospitaliseerd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou gehospitaliseerd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou gehospitaliseerd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
gehospitaliseerd verleden tijd, deelwoord
gehospitaliseerd te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gehospitaliseerd te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gehospitaliseerd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gehospitaliseerd te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
gehospitaliseerd te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gehospitaliseerd worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gehospitaliseerd zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gehospitaliseerd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
gehospitaliseerd zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
gehospitaliseerd zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had gehospitaliseerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gehospitaliseerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gehospitaliseerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gehospitaliseerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gehospitaliseerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gehospitaliseerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gehospitaliseerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb gehospitaliseerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gehospitaliseerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gehospitaliseerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gehospitaliseerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gehospitaliseerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gehospitaliseerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gehospitaliseerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gehospitaliseerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hospitaliseer gebiedende wijs
hospitaliseerde verleden tijd
hospitalisere aanvoegende wijs
hospitaliserend onvoltooid, deelwoord
is gehospitaliseerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is gehospitaliseerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben gehospitaliseerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te hospitaliseren actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen hospitaliseren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart gehospitaliseerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gehospitaliseerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren gehospitaliseerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gehospitaliseerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
was gehospitaliseerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was gehospitaliseerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was gehospitaliseerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd gehospitaliseerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd gehospitaliseerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd gehospitaliseerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden gehospitaliseerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden gehospitaliseerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden gehospitaliseerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt gehospitaliseerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word gehospitaliseerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden gehospitaliseerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden gehospitaliseerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden gehospitaliseerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt gehospitaliseerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt gehospitaliseerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal gehospitaliseerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gehospitaliseerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gehospitaliseerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal gehospitaliseerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gehospitaliseerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal gehospitaliseerd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gehospitaliseerd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal hospitaliseren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal hospitaliseren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal hospitaliseren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zijn gehospitaliseerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn gehospitaliseerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn gehospitaliseerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt gehospitaliseerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou gehospitaliseerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gehospitaliseerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gehospitaliseerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou gehospitaliseerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gehospitaliseerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou gehospitaliseerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gehospitaliseerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gehospitaliseerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gehospitaliseerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou hospitaliseren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou hospitaliseren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou hospitaliseren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden gehospitaliseerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gehospitaliseerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gehospitaliseerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gehospitaliseerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden gehospitaliseerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden gehospitaliseerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gehospitaliseerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gehospitaliseerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gehospitaliseerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden hospitaliseren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden hospitaliseren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden hospitaliseren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt gehospitaliseerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gehospitaliseerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gehospitaliseerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt hospitaliseren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen gehospitaliseerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gehospitaliseerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gehospitaliseerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gehospitaliseerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen gehospitaliseerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen gehospitaliseerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gehospitaliseerd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gehospitaliseerd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gehospitaliseerd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen hospitaliseren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen hospitaliseren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen hospitaliseren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen hospitaliseren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult gehospitaliseerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult gehospitaliseerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult gehospitaliseerd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult hospitaliseren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Herkomst

afgeleid van het Franse hospitaliser (met het achtervoegsel -iseren)

Woordfamilie van hospitaliseren

Woordvorm Relatie Afgeleid van
gehospitaliseerd voltooid deelwoord hospitaliseren
gehospitaliseerde woordvorm hospitaliseren
hospitaliseer gebiedende wijs hospitaliseren
hospitaliseerde verleden tijd hospitaliseren
hospitaliseerden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon hospitaliseren
hospitaliseert aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon hospitaliseren
hospitalisere aanvoegende wijs hospitaliseren
hospitaliserend onvoltooid deelwoord hospitaliseren
hospitaliserende woordvorm hospitaliseren

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van hospitaliseren zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over hospitaliseren

Wat is de betekenis van hospitaliseren?
Hospitaliseren is een werkwoord. De betekenis is: in een ziekenhuis opnemen. In totaal staan er 2 betekenissen.
Hoe vervoeg ik hospitaliseren?
Zo vervoeg je hospitaliseren zo: de tegenwoordige tijd is hospitaliseer, de verleden tijd is hospitaliseerde en het voltooid deelwoord is gehospitaliseerd. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord hospitaliseren is 25 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. H 4
  2. O 1
  3. S 2
  4. P 3
  5. I 1
  6. T 2
  7. A 1
  8. L 3
  9. I 1
  10. S 2
  11. E 1
  12. R 2
  13. E 1
  14. N 1
  15. 25 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

hospitaliseren levert met Wordfeud minimaal 28 en maximaal 108 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. H 4
  2. O 1
  3. S 2
  4. P 4
  5. I 2
  6. T 2
  7. A 1
  8. L 3
  9. I 2
  10. S 2
  11. E 1
  12. R 2
  13. E 1
  14. N 1
  15. 28 zonder bonus
  16. 108 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (H) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

hospitaliseren in het kort

hospitaliseren staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 2 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van hospitaliseren staan er 75 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort hospitaliseren bij een woordfamilie van 9 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

hospitaliseren: in een ziekenhuis opnemen
Deel hospitaliseren — standaardnederlands.nl