hospitaliseren
werkwoordBetekenis
- in een ziekenhuis opnemen
- zo gewend zijn geraakt aan de verzorging in een ziekenhuis dat men zich daarbuiten nauwelijks kan handhaven
Vervoeging van hospitaliseren
hospitaliserenhele werkwoord — hospitaliseerdeverleden tijd enkelvoud — hospitaliseerdenverleden tijd meervoud — gehospitaliseerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | hospitaliseer | hospitaliseerde |
| jij | hospitaliseert | hospitaliseerde |
| hij, zij, het | hospitaliseert | hospitaliseerde |
| wij | hospitaliseren | hospitaliseerden |
| jullie | hospitaliseren | hospitaliseerden |
| zij | hospitaliseren | hospitaliseerden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben gehospitaliseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gehospitaliseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is gehospitaliseerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gehospitaliseerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gehospitaliseerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gehospitaliseerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gehospitaliseerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gehospitaliseerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gehospitaliseerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gehospitaliseerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gehospitaliseerd | verleden tijd, deelwoord |
| gehospitaliseerd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gehospitaliseerd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gehospitaliseerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gehospitaliseerd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gehospitaliseerd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gehospitaliseerd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gehospitaliseerd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gehospitaliseerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gehospitaliseerd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gehospitaliseerd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gehospitaliseerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gehospitaliseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gehospitaliseerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gehospitaliseerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gehospitaliseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gehospitaliseerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gehospitaliseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gehospitaliseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gehospitaliseerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gehospitaliseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gehospitaliseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gehospitaliseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gehospitaliseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gehospitaliseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gehospitaliseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hospitaliseer | gebiedende wijs |
| hospitaliseerde | verleden tijd |
| hospitalisere | aanvoegende wijs |
| hospitaliserend | onvoltooid, deelwoord |
| is gehospitaliseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gehospitaliseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben gehospitaliseerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hospitaliseren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen hospitaliseren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gehospitaliseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gehospitaliseerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gehospitaliseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gehospitaliseerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gehospitaliseerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gehospitaliseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gehospitaliseerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gehospitaliseerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd gehospitaliseerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd gehospitaliseerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden gehospitaliseerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden gehospitaliseerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden gehospitaliseerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt gehospitaliseerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word gehospitaliseerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden gehospitaliseerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden gehospitaliseerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden gehospitaliseerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gehospitaliseerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt gehospitaliseerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal gehospitaliseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gehospitaliseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gehospitaliseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gehospitaliseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gehospitaliseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gehospitaliseerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gehospitaliseerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal hospitaliseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal hospitaliseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal hospitaliseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn gehospitaliseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gehospitaliseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gehospitaliseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gehospitaliseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou gehospitaliseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gehospitaliseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gehospitaliseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gehospitaliseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gehospitaliseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gehospitaliseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gehospitaliseerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gehospitaliseerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gehospitaliseerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou hospitaliseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou hospitaliseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou hospitaliseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gehospitaliseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gehospitaliseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gehospitaliseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gehospitaliseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gehospitaliseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gehospitaliseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gehospitaliseerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gehospitaliseerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gehospitaliseerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden hospitaliseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden hospitaliseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden hospitaliseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gehospitaliseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gehospitaliseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gehospitaliseerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt hospitaliseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gehospitaliseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gehospitaliseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gehospitaliseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gehospitaliseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gehospitaliseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gehospitaliseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gehospitaliseerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gehospitaliseerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gehospitaliseerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen hospitaliseren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen hospitaliseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen hospitaliseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen hospitaliseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gehospitaliseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gehospitaliseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gehospitaliseerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult hospitaliseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van het Franse hospitaliser (met het achtervoegsel -iseren)
Woordfamilie van hospitaliseren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gehospitaliseerd | voltooid deelwoord | hospitaliseren |
| gehospitaliseerde | woordvorm | hospitaliseren |
| hospitaliseer | gebiedende wijs | hospitaliseren |
| hospitaliseerde | verleden tijd | hospitaliseren |
| hospitaliseerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | hospitaliseren |
| hospitaliseert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | hospitaliseren |
| hospitalisere | aanvoegende wijs | hospitaliseren |
| hospitaliserend | onvoltooid deelwoord | hospitaliseren |
| hospitaliserende | woordvorm | hospitaliseren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van hospitaliseren zijn vastgelegd.