hooghouden
werkwoordBetekenis
- niet laten zakken
- doen van oefening met voetbal waarbij de bal de grond niet mag raken
Vervoeging van hooghouden
hooghoudenhele werkwoord — hield hoogverleden tijd enkelvoud — hielden hoogverleden tijd meervoud — hooggehoudenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | hou hoog | hield hoog |
| jij | houdt hoog | hield hoog |
| hij, zij, het | houdt hoog | hield hoog |
| wij | houden hoog | hielden hoog |
| jullie | houden hoog | hielden hoog |
| zij | houden hoog | hielden hoog |
Alle 147 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben hooggehouden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent hooggehouden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is hooggehouden | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was hooggehouden | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd hooggehouden | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt hooggehouden | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal hooggehouden worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal hooggehouden zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou hooggehouden worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou hooggehouden zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had hooggehouden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had hooggehouden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had hooggehouden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden hooggehouden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden hooggehouden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden hooggehouden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt hooggehouden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb hooggehouden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben hooggehouden | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben hooggehouden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben hooggehouden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben hooggehouden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt hooggehouden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft hooggehouden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft hooggehouden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hield hoog | verleden tijd |
| hoog te houden | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| hoog te zullen houden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| hoog zal houden | bijzin, toekomende tijd |
| hoog zou houden | bijzin, voorwaardelijk |
| hoog zouden houden | bijzin, voorwaardelijk |
| hoog zoudt houden | bijzin, voorwaardelijk |
| hoog zullen houden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| hoog zullen houden | bijzin, toekomende tijd |
| hoog zult houden | bijzin, toekomende tijd |
| hooggehouden | verleden tijd, deelwoord |
| hooggehouden te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| hooggehouden te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| hooggehouden te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| hooggehouden te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| hooggehouden te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| hooggehouden worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hooggehouden zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hooggehouden zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| hooggehouden zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| hooggehouden zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| hooghield | bijzin, verleden tijd |
| hooghielden | bijzin, verleden tijd |
| hooghou | bijzin, tegenwoordige tijd |
| hooghoud | bijzin, tegenwoordige tijd |
| hooghoudend | onvoltooid, deelwoord |
| hooghoudt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| hou hoog | gebiedende wijs |
| houd hoog | gebiedende wijs |
| is hooggehouden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is hooggehouden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben hooggehouden | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen hooghouden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart hooggehouden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren hooggehouden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren hooggehouden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren hooggehouden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was hooggehouden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was hooggehouden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was hooggehouden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd hooggehouden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd hooggehouden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd hooggehouden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden hooggehouden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden hooggehouden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden hooggehouden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt hooggehouden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word hooggehouden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden hooggehouden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden hooggehouden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden hooggehouden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt hooggehouden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt hooggehouden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal hooggehouden hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal hooggehouden hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal hooggehouden hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal hooggehouden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal hooggehouden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal hooggehouden zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal hooggehouden zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal hooghouden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal hooghouden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal hooghouden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal hooghouden | bijzin, toekomende tijd |
| zijn hooggehouden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn hooggehouden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn hooggehouden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt hooggehouden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou hooggehouden hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou hooggehouden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou hooggehouden hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou hooggehouden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou hooggehouden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou hooggehouden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou hooggehouden zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou hooggehouden zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou hooggehouden zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou hooghouden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou hooghouden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou hooghouden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou hooghouden | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) hooghouden hoog zou(dt) houden | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden hooggehouden hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden hooggehouden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden hooggehouden hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden hooggehouden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden hooggehouden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden hooggehouden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden hooggehouden zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden hooggehouden zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden hooggehouden zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden hooghouden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden hooghouden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden hooghouden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden hooghouden | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt hooggehouden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt hooggehouden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt hooggehouden zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt hooghouden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt hooghouden | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen hooggehouden hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen hooggehouden hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen hooggehouden hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen hooggehouden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen hooggehouden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen hooggehouden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen hooggehouden zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen hooggehouden zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen hooggehouden zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen hooghouden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen hooghouden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen hooghouden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen hooghouden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
Herkomst
samenstelling van hoog en houden
Woordfamilie van hooghouden
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| hield hoog | verleden tijd | hooghouden |
| hielden hoog | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | hooghouden |
| hooggehouden | voltooid deelwoord | hooghouden |
| hooghield | subordinate-clause, verleden tijd | hooghouden |
| hooghielden | subordinate-clause, verleden tijd | hooghouden |
| hooghou | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | hooghouden |
| hooghoud | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | hooghouden |
| hooghoude | with-subordinate-clause | hooghouden |
| hooghoudend | onvoltooid deelwoord | hooghouden |
| hooghoudende | woordvorm | hooghouden |
| hooghoudt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | hooghouden |
| hou hoog | gebiedende wijs | hooghouden |
| houd hoog | gebiedende wijs | hooghouden |
| houde hoog | woordvorm | hooghouden |
| houden hoog | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | hooghouden |
| houdt hoog | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | hooghouden |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van hooghouden zijn vastgelegd.