Naar de inhoud

hooghouden

niet laten zakken

hooghouden

werkwoord

Betekenis

  1. niet laten zakken
  2. doen van oefening met voetbal waarbij de bal de grond niet mag raken

Vervoeging van hooghouden

hooghoudenhele werkwoord — hield hoogverleden tijd enkelvoud — hielden hoogverleden tijd meervoud — hooggehoudenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik hou hoog hield hoog
jij houdt hoog hield hoog
hij, zij, het houdt hoog hield hoog
wij houden hoog hielden hoog
jullie houden hoog hielden hoog
zij houden hoog hielden hoog
Alle 147 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben hooggehouden voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent hooggehouden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is hooggehouden impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was hooggehouden impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd hooggehouden impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt hooggehouden impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal hooggehouden worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal hooggehouden zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou hooggehouden worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou hooggehouden zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had hooggehouden voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had hooggehouden voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had hooggehouden voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden hooggehouden voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden hooggehouden voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden hooggehouden voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt hooggehouden voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb hooggehouden voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben hooggehouden actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben hooggehouden voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben hooggehouden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben hooggehouden voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt hooggehouden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft hooggehouden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft hooggehouden voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hield hoog verleden tijd
hoog te houden actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
hoog te zullen houden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
hoog zal houden bijzin, toekomende tijd
hoog zou houden bijzin, voorwaardelijk
hoog zouden houden bijzin, voorwaardelijk
hoog zoudt houden bijzin, voorwaardelijk
hoog zullen houden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
hoog zullen houden bijzin, toekomende tijd
hoog zult houden bijzin, toekomende tijd
hooggehouden verleden tijd, deelwoord
hooggehouden te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
hooggehouden te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
hooggehouden te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
hooggehouden te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
hooggehouden te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
hooggehouden worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hooggehouden zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hooggehouden zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
hooggehouden zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
hooggehouden zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
hooghield bijzin, verleden tijd
hooghielden bijzin, verleden tijd
hooghou bijzin, tegenwoordige tijd
hooghoud bijzin, tegenwoordige tijd
hooghoudend onvoltooid, deelwoord
hooghoudt bijzin, tegenwoordige tijd
hou hoog gebiedende wijs
houd hoog gebiedende wijs
is hooggehouden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is hooggehouden voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben hooggehouden actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen hooghouden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart hooggehouden voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren hooggehouden voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren hooggehouden voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren hooggehouden voltooid, verleden tijd, derde persoon
was hooggehouden voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was hooggehouden voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was hooggehouden voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd hooggehouden enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd hooggehouden enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd hooggehouden enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden hooggehouden enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden hooggehouden enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden hooggehouden enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt hooggehouden enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word hooggehouden enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden hooggehouden enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden hooggehouden enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden hooggehouden enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt hooggehouden enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt hooggehouden enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal hooggehouden hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal hooggehouden hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal hooggehouden hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal hooggehouden worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal hooggehouden worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal hooggehouden zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal hooggehouden zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal hooghouden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal hooghouden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal hooghouden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal hooghouden bijzin, toekomende tijd
zijn hooggehouden voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn hooggehouden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn hooggehouden voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt hooggehouden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou hooggehouden hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou hooggehouden hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou hooggehouden hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou hooggehouden worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou hooggehouden worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou hooggehouden worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou hooggehouden zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou hooggehouden zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou hooggehouden zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou hooghouden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou hooghouden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou hooghouden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou hooghouden bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) hooghouden hoog zou(dt) houden bijzin, voorwaardelijk
zouden hooggehouden hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden hooggehouden hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden hooggehouden hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden hooggehouden worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden hooggehouden worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden hooggehouden worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden hooggehouden zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden hooggehouden zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden hooggehouden zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden hooghouden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden hooghouden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden hooghouden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden hooghouden bijzin, voorwaardelijk
zoudt hooggehouden hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt hooggehouden worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt hooggehouden zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt hooghouden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt hooghouden bijzin, voorwaardelijk
zullen hooggehouden hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen hooggehouden hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen hooggehouden hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen hooggehouden worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen hooggehouden worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen hooggehouden worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen hooggehouden zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen hooggehouden zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen hooggehouden zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen hooghouden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen hooghouden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen hooghouden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen hooghouden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon

Herkomst

samenstelling van hoog en houden

Woordfamilie van hooghouden

Woordvorm Relatie Afgeleid van
hield hoog verleden tijd hooghouden
hielden hoog aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon hooghouden
hooggehouden voltooid deelwoord hooghouden
hooghield subordinate-clause, verleden tijd hooghouden
hooghielden subordinate-clause, verleden tijd hooghouden
hooghou subordinate-clause, tegenwoordige tijd hooghouden
hooghoud subordinate-clause, tegenwoordige tijd hooghouden
hooghoude with-subordinate-clause hooghouden
hooghoudend onvoltooid deelwoord hooghouden
hooghoudende woordvorm hooghouden
hooghoudt subordinate-clause, tegenwoordige tijd hooghouden
hou hoog gebiedende wijs hooghouden
houd hoog gebiedende wijs hooghouden
houde hoog woordvorm hooghouden
houden hoog aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon hooghouden
houdt hoog aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon hooghouden

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van hooghouden zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over hooghouden

Wat betekent hooghouden?
Hooghouden is een werkwoord. Het woord betekent: niet laten zakken. Deze pagina beschrijft 2 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je hooghouden?
Je vervoegt hooghouden als volgt: het voltooid deelwoord is hooggehouden. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord hooghouden is 22 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. H 4
  2. O 1
  3. O 1
  4. G 3
  5. H 4
  6. O 1
  7. U 4
  8. D 2
  9. E 1
  10. N 1
  11. 22 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

hooghouden levert met Wordfeud minimaal 20 en maximaal 84 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. H 4
  2. O 1
  3. O 1
  4. G 3
  5. H 4
  6. O 1
  7. U 2
  8. D 2
  9. E 1
  10. N 1
  11. 20 zonder bonus
  12. 84 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (H) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

hooghouden in het kort

hooghouden staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 2 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van hooghouden zijn 90 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort hooghouden bij een woordfamilie van 16 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

hooghouden: niet laten zakken
Deel hooghouden — standaardnederlands.nl