Naar de inhoud

hockeyen

de hockeysport beoefenen

hockeyen

werkwoord /ˈɦɔki(n)/

Betekenis

  1. de hockeysport beoefenen
  2. tweede betekenisomschrijving
  3. enz.

Hoe spreek je hockeyen uit?

/ˈhɔkin/

Hockeyen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈhɔkin/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
h hoed
ɔ bot
k kat
i riet
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van hockeyen

hockeyenhele werkwoord — hockeydeverleden tijd enkelvoud — hockeydenverleden tijd meervoud — gehockeydvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik hockey hockeyde
jij hockeyt hockeyde
hij, zij, het hockeyt hockeyde
wij hockeyen hockeyden
jullie hockeyen hockeyden
zij hockeyen hockeyden
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
er is gehockeyd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was gehockeyd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd gehockeyd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt gehockeyd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal gehockeyd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal gehockeyd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou gehockeyd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou gehockeyd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
gehockeyd verleden tijd, deelwoord
gehockeyd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gehockeyd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had gehockeyd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gehockeyd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gehockeyd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gehockeyd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gehockeyd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gehockeyd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gehockeyd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb gehockeyd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gehockeyd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gehockeyd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gehockeyd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gehockeyd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gehockeyd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gehockeyd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gehockeyd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hockey gebiedende wijs
hockeyde verleden tijd
hockeye aanvoegende wijs
hockeyend onvoltooid, deelwoord
te hebben gehockeyd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te hockeyen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen hockeyen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal gehockeyd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gehockeyd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gehockeyd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal hockeyen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal hockeyen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal hockeyen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zou gehockeyd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gehockeyd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gehockeyd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou hockeyen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou hockeyen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou hockeyen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden gehockeyd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gehockeyd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gehockeyd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden hockeyen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden hockeyen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden hockeyen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt gehockeyd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt hockeyen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen gehockeyd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gehockeyd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gehockeyd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen hockeyen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen hockeyen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen hockeyen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen hockeyen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult gehockeyd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult hockeyen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Woordfamilie van hockeyen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
gehockeyd voltooid deelwoord hockeyen
hockeyde verleden tijd hockeyen
hockeyden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon hockeyen
hockeye aanvoegende wijs hockeyen
hockeyend onvoltooid deelwoord hockeyen
hockeyende woordvorm hockeyen
hockeyt aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon hockeyen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van hockeyen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over hockeyen

Hoe spreek je hockeyen uit?
De uitspraak van hockeyen is: /ˈɦɔki(n)/. Dit is het internationaal fonetisch alfabet, waarmee elke klank apart wordt genoteerd. Het teken ˈ geeft de klemtoon aan: de nadruk valt op de eerste lettergreep.
Wat betekent hockeyen?
Hockeyen is een werkwoord. Het woord betekent: de hockeysport beoefenen. Deze pagina beschrijft 3 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je hockeyen?
Je vervoegt hockeyen als volgt: de tegenwoordige tijd is hockey, de verleden tijd is hockeyde en het voltooid deelwoord is gehockeyd. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord hockeyen is 24 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. H 4
  2. O 1
  3. C 5
  4. K 3
  5. E 1
  6. Y 8
  7. E 1
  8. N 1
  9. 24 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

hockeyen levert met Wordfeud minimaal 24 en maximaal 120 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. H 4
  2. O 1
  3. C 5
  4. K 3
  5. E 1
  6. Y 8
  7. E 1
  8. N 1
  9. 24 zonder bonus
  10. 120 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (Y) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

hockeyen in het kort

hockeyen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 3 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van hockeyen zijn 40 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort hockeyen bij een woordfamilie van 7 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

hockeyen: de hockeysport beoefenen
Deel hockeyen — standaardnederlands.nl