hockey
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- balspel waarbij twee elftallen de bal met een stok in elkaars doel proberen te slaan.
zelfstandig naamwoord — neuter
- balspel waarbij twee elftallen de bal met een hockeystick in elkaars doel proberen te slaan
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van hockeyen
- gebiedende wijs van hockeyen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van hockeyen
Vervoeging van hockey
hockeyhele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘veldsport’ voor het eerst aangetroffen in 1892