heruitzenden
werkwoordBetekenis
- een televisieprogamma opnieuw uitzenden
- tweede betekenisomschrijving
- enz.
Vervoeging van heruitzenden
heruitzendenhele werkwoord — heruitgezondenvoltooid deelwoord
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| (bijzin) heruitzond | verleden tijd |
| (zond heruit) | verleden tijd |
| - | impersonal, passief |
| ben heruitgezonden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent heruitgezonden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is heruitgezonden | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was heruitgezonden | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd heruitgezonden | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt heruitgezonden | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal heruitgezonden worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal heruitgezonden zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou heruitgezonden worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou heruitgezonden zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had heruitgezonden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had heruitgezonden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had heruitgezonden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden heruitgezonden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden heruitgezonden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden heruitgezonden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt heruitgezonden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb heruitgezonden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben heruitgezonden | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben heruitgezonden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben heruitgezonden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben heruitgezonden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt heruitgezonden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft heruitgezonden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft heruitgezonden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| heruitgezonden | verleden tijd, deelwoord |
| heruitgezonden te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| heruitgezonden te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| heruitgezonden te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| heruitgezonden te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| heruitgezonden te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| heruitgezonden worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| heruitgezonden zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| heruitgezonden zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| heruitgezonden zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| heruitgezonden zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| heruitzendend | onvoltooid, deelwoord |
| is heruitgezonden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is heruitgezonden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben heruitgezonden | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te heruitzenden | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen heruitzenden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart heruitgezonden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren heruitgezonden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren heruitgezonden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren heruitgezonden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was heruitgezonden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was heruitgezonden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was heruitgezonden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd heruitgezonden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd heruitgezonden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd heruitgezonden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden heruitgezonden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden heruitgezonden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden heruitgezonden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt heruitgezonden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word heruitgezonden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden heruitgezonden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden heruitgezonden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden heruitgezonden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt heruitgezonden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt heruitgezonden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal heruitgezonden hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal heruitgezonden hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal heruitgezonden hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal heruitgezonden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal heruitgezonden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal heruitgezonden zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal heruitgezonden zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal heruitzenden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal heruitzenden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal heruitzenden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn heruitgezonden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn heruitgezonden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn heruitgezonden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt heruitgezonden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zond opnieuw uit | verleden tijd |
| zou heruitgezonden hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou heruitgezonden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou heruitgezonden hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou heruitgezonden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou heruitgezonden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou heruitgezonden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou heruitgezonden zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou heruitgezonden zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou heruitgezonden zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou heruitzenden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou heruitzenden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou heruitzenden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden heruitgezonden hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden heruitgezonden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden heruitgezonden hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden heruitgezonden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden heruitgezonden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden heruitgezonden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden heruitgezonden zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden heruitgezonden zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden heruitgezonden zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden heruitzenden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden heruitzenden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden heruitzenden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt heruitgezonden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt heruitgezonden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt heruitgezonden zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt heruitzenden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen heruitgezonden hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen heruitgezonden hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen heruitgezonden hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen heruitgezonden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen heruitgezonden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen heruitgezonden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen heruitgezonden zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen heruitgezonden zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen heruitgezonden zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen heruitzenden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen heruitzenden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen heruitzenden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen heruitzenden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult heruitgezonden hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult heruitgezonden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult heruitgezonden zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult heruitzenden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Afgeleid van uitzenden met het voorvoegsel her-.
Woordfamilie van heruitzenden
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| heruitgezonden | voltooid deelwoord | heruitzenden |
| heruitzend | with-subordinate-clause | heruitzenden |
| heruitzende | woordvorm | heruitzenden |
| heruitzendend | onvoltooid deelwoord | heruitzenden |
| heruitzendende | woordvorm | heruitzenden |
| heruitzendt | with-subordinate-clause | heruitzenden |
| heruitzond | with-subordinate-clause | heruitzenden |
| heruitzonden | with-subordinate-clause | heruitzenden |
| zend heruit | woordvorm | heruitzenden |
| zenden heruit | woordvorm | heruitzenden |
| zendt heruit | woordvorm | heruitzenden |
| zond heruit | woordvorm | heruitzenden |
| zonden heruit | woordvorm | heruitzenden |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van heruitzenden zijn vastgelegd.