heruitgeven
werkwoordBetekenis
- opnieuw publiceren
Vervoeging van heruitgeven
heruitgevenhele werkwoord — heruitgegevenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| jij | — | _(gaaft opnieuw uit) |
| wij | geven opnieuw uit | — |
| jullie | geven opnieuw uit | — |
| zij | geven opnieuw uit | — |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| (bijzin) heruitgaf | verleden tijd |
| (gaf opnieuw uit) | verleden tijd |
| - | impersonal, passief |
| ben heruitgegeven | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent heruitgegeven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is heruitgegeven | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was heruitgegeven | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd heruitgegeven | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt heruitgegeven | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal heruitgegeven worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal heruitgegeven zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou heruitgegeven worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou heruitgegeven zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| had heruitgegeven | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had heruitgegeven | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had heruitgegeven | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden heruitgegeven | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden heruitgegeven | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden heruitgegeven | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt heruitgegeven | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb heruitgegeven | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben heruitgegeven | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben heruitgegeven | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben heruitgegeven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben heruitgegeven | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt heruitgegeven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft heruitgegeven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft heruitgegeven | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| heruitgaaft | bijzin, verleden tijd |
| heruitgaf | bijzin, verleden tijd |
| heruitgaven | bijzin, verleden tijd |
| heruitgeef | bijzin, tegenwoordige tijd |
| heruitgeeft | bijzin, tegenwoordige tijd |
| heruitgegeven | verleden tijd, deelwoord |
| heruitgegeven te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| heruitgegeven te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| heruitgegeven te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| heruitgegeven te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| heruitgegeven te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| heruitgegeven worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| heruitgegeven zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| heruitgegeven zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| heruitgegeven zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| heruitgegeven zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| heruitgevend | onvoltooid, deelwoord |
| is heruitgegeven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is heruitgegeven | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| opnieuw uit te geven | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| opnieuw uit te zullen geven | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opnieuw uit zal geven | bijzin, toekomende tijd |
| opnieuw uit zou geven | bijzin, voorwaardelijk |
| opnieuw uit zouden geven | bijzin, voorwaardelijk |
| opnieuw uit zoudt geven | bijzin, voorwaardelijk |
| opnieuw uit zullen geven | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| opnieuw uit zullen geven | bijzin, toekomende tijd |
| opnieuw uit zult geven | bijzin, toekomende tijd |
| te hebben heruitgegeven | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen heruitgeven | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart heruitgegeven | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren heruitgegeven | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren heruitgegeven | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren heruitgegeven | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was heruitgegeven | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was heruitgegeven | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was heruitgegeven | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd heruitgegeven | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd heruitgegeven | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd heruitgegeven | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden heruitgegeven | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden heruitgegeven | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden heruitgegeven | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt heruitgegeven | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word heruitgegeven | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden heruitgegeven | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden heruitgegeven | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden heruitgegeven | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt heruitgegeven | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt heruitgegeven | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal heruitgegeven hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal heruitgegeven hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal heruitgegeven hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal heruitgegeven worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal heruitgegeven worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal heruitgegeven zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal heruitgegeven zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal heruitgeven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal heruitgeven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal heruitgeven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal heruitgeven | bijzin, toekomende tijd |
| zijn heruitgegeven | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn heruitgegeven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn heruitgegeven | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt heruitgegeven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou heruitgegeven hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou heruitgegeven hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou heruitgegeven hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou heruitgegeven worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou heruitgegeven worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou heruitgegeven worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou heruitgegeven zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou heruitgegeven zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou heruitgegeven zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou heruitgeven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou heruitgeven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou heruitgeven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou heruitgeven | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) heruitgeven opnieuw uit zou(dt) geven | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden heruitgegeven hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden heruitgegeven hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden heruitgegeven hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden heruitgegeven worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden heruitgegeven worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden heruitgegeven worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden heruitgegeven zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden heruitgegeven zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden heruitgegeven zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden heruitgeven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden heruitgeven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden heruitgeven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden heruitgeven | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt heruitgegeven hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt heruitgegeven worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt heruitgegeven zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt heruitgeven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt heruitgeven | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen heruitgegeven hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen heruitgegeven hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen heruitgegeven hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen heruitgegeven worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen heruitgegeven worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen heruitgegeven worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen heruitgegeven zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen heruitgegeven zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen heruitgegeven zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen heruitgeven | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen heruitgeven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen heruitgeven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen heruitgeven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen heruitgeven | bijzin, toekomende tijd |
| zult heruitgegeven hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
Afgeleid van uitgeven met het voorvoegsel her-.
Woordfamilie van heruitgeven
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gaf heruit | woordvorm | heruitgeven |
| gaven heruit | woordvorm | heruitgeven |
| geef heruit | woordvorm | heruitgeven |
| geeft heruit | woordvorm | heruitgeven |
| geven heruit | woordvorm | heruitgeven |
| heruitgaf | subordinate-clause, verleden tijd | heruitgeven |
| heruitgeef | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | heruitgeven |
| heruitgeeft | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | heruitgeven |
| heruitgegeven | voltooid deelwoord | heruitgeven |
| heruitgeve | woordvorm | heruitgeven |
| heruitgevend | onvoltooid deelwoord | heruitgeven |
| heruitgevende | woordvorm | heruitgeven |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van heruitgeven zijn vastgelegd.