hertrouwen
werkwoord, zelfstandig naamwoordBetekenis
- ~ met opnieuw in het huwelijk treden
- tweede betekenisomschrijving
- enz.
Vervoeging van hertrouwen
hertrouwenhele werkwoord — hertrouwdeverleden tijd enkelvoud — hertrouwdenverleden tijd meervoud — hertrouwdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | hertrouw | hertrouwde |
| jij | hertrouwt | hertrouwde |
| hij, zij, het | hertrouwt | hertrouwde |
| wij | hertrouwen | hertrouwden |
| jullie | hertrouwen | hertrouwden |
| zij | hertrouwen | hertrouwden |
Alle 56 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben hertrouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent hertrouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| ev. | gebiedende wijs |
| hertrouw | gebiedende wijs |
| hertrouwd | verleden tijd, deelwoord |
| hertrouwd te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| hertrouwd zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| hertrouwde | verleden tijd |
| hertrouwe | aanvoegende wijs |
| hertrouwend | onvoltooid, deelwoord |
| is hertrouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is hertrouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hertrouwen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zijn hertrouwd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen hertrouwen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart hertrouwd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren hertrouwd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren hertrouwd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren hertrouwd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was hertrouwd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was hertrouwd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was hertrouwd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal hertrouwd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal hertrouwd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal hertrouwd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal hertrouwen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal hertrouwen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal hertrouwen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn hertrouwd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn hertrouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn hertrouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn hertrouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt hertrouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou hertrouwd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou hertrouwd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou hertrouwd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou hertrouwen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou hertrouwen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou hertrouwen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden hertrouwd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden hertrouwd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden hertrouwd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden hertrouwen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden hertrouwen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden hertrouwen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt hertrouwd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt hertrouwen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen hertrouwd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen hertrouwd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen hertrouwd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen hertrouwen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen hertrouwen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen hertrouwen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen hertrouwen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult hertrouwd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult hertrouwen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord hertrouw
Herkomst
afgeleid van trouwen met het voorvoegsel her-
Woordfamilie van hertrouwen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| hertrouwd | voltooid deelwoord | hertrouwen |
| hertrouwde | verleden tijd | hertrouwen |
| hertrouwden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | hertrouwen |
| hertrouwe | aanvoegende wijs | hertrouwen |
| hertrouwend | onvoltooid deelwoord | hertrouwen |
| hertrouwende | woordvorm | hertrouwen |
| hertrouwt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | hertrouwen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van hertrouwen zijn vastgelegd.