herschikken
werkwoordBetekenis
- een nieuwe volgorde geven, opnieuw samenstellen
Vervoeging van herschikken
herschikkenhele werkwoord — herschikteverleden tijd enkelvoud — herschiktenverleden tijd meervoud — herschiktvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | herschik | herschikte |
| jij | herschikt | herschikte |
| hij, zij, het | herschikt | herschikte |
| wij | herschikken | herschikten |
| jullie | herschikken | herschikten |
| zij | herschikken | herschikten |
Alle 88 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| er is herschikt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was herschikt | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd herschikt | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt herschikt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal herschikt worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal herschikt zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou herschikt worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou herschikt zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had herschikt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had herschikt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had herschikt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden herschikt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden herschikt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden herschikt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt herschikt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb herschikt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben herschikt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben herschikt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben herschikt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben herschikt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt herschikt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft herschikt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft herschikt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| herschik | gebiedende wijs |
| herschikke | aanvoegende wijs |
| herschikkend | onvoltooid, deelwoord |
| herschikt | verleden tijd, deelwoord |
| herschikt te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| herschikt te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| herschikt te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| herschikt te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| herschikt te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| herschikt worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| herschikt zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| herschikt zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| herschikt zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| herschikt zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| herschikte | verleden tijd |
| is herschikt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben herschikt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te herschikken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen herschikken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waren herschikt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was herschikt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd herschikt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werden herschikt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| worden herschikt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt herschikt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| zal herschikken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal herschikken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal herschikken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal herschikt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal herschikt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal herschikt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal herschikt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal herschikt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn herschikt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zou herschikken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou herschikken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou herschikken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou herschikt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou herschikt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou herschikt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou herschikt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou herschikt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden herschikken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden herschikken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden herschikken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden herschikt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden herschikt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden herschikt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden herschikt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden herschikt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt herschikken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt herschikt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen herschikken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen herschikken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen herschikken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen herschikken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen herschikt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen herschikt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen herschikt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen herschikt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen herschikt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult herschikken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult herschikt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van schikken met het voorvoegsel her-
Woordfamilie van herschikken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| herschik | gebiedende wijs | herschikken |
| herschikke | aanvoegende wijs | herschikken |
| herschikkend | onvoltooid deelwoord | herschikken |
| herschikkende | woordvorm | herschikken |
| herschikt | voltooid deelwoord | herschikken |
| herschikte | verleden tijd | herschikken |
| herschikten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | herschikken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van herschikken zijn vastgelegd.