herroepen
werkwoordBetekenis
- zeggen dat iets, dat je eerder gezegd hebt, niet klopt
Vervoeging van herroepen
herroepenhele werkwoord — herriepverleden tijd enkelvoud — herriepenverleden tijd meervoud — herroepenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | herroep | herriep |
| jij | herroept | herriep |
| hij, zij, het | herroept | herriep |
| wij | herroepen | herriepen |
| jullie | herroepen | herriepen |
| zij | herroepen | herriepen |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben herroepen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent herroepen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is herroepen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was herroepen | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd herroepen | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt herroepen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal herroepen worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal herroepen zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou herroepen worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou herroepen zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had herroepen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had herroepen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had herroepen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden herroepen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden herroepen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden herroepen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt herroepen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb herroepen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben herroepen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben herroepen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben herroepen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben herroepen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt herroepen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft herroepen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft herroepen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| herriep | verleden tijd |
| herroep | gebiedende wijs |
| herroepe | aanvoegende wijs |
| herroepen | verleden tijd, deelwoord |
| herroepen te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| herroepen te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| herroepen te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| herroepen te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| herroepen te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| herroepen worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| herroepen zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| herroepen zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| herroepen zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| herroepen zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| herroepend | onvoltooid, deelwoord |
| is herroepen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is herroepen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben herroepen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te herroepen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen herroepen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart herroepen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren herroepen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren herroepen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren herroepen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was herroepen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was herroepen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was herroepen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd herroepen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd herroepen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd herroepen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden herroepen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden herroepen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden herroepen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt herroepen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word herroepen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden herroepen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden herroepen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden herroepen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt herroepen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt herroepen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal herroepen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal herroepen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal herroepen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal herroepen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal herroepen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal herroepen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal herroepen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal herroepen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal herroepen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal herroepen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn herroepen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn herroepen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn herroepen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt herroepen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou herroepen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou herroepen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou herroepen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou herroepen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou herroepen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou herroepen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou herroepen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou herroepen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou herroepen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou herroepen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou herroepen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou herroepen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden herroepen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden herroepen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden herroepen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden herroepen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden herroepen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden herroepen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden herroepen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden herroepen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden herroepen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden herroepen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden herroepen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden herroepen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt herroepen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt herroepen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt herroepen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt herroepen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen herroepen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen herroepen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen herroepen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen herroepen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen herroepen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen herroepen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen herroepen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen herroepen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen herroepen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen herroepen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen herroepen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen herroepen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen herroepen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult herroepen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult herroepen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult herroepen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult herroepen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Woordvorm
- voltooid deelwoord van herroepen
Vervoeging van herroepen
herroepenhele werkwoord — herriepverleden tijd enkelvoud — herriepenverleden tijd meervoud — herroepenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | herroep | herriep |
| jij | herroept | herriep |
| hij, zij, het | herroept | herriep |
| wij | herroepen | herriepen |
| jullie | herroepen | herriepen |
| zij | herroepen | herriepen |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben herroepen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent herroepen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is herroepen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was herroepen | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd herroepen | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt herroepen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal herroepen worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal herroepen zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou herroepen worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou herroepen zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had herroepen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had herroepen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had herroepen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden herroepen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden herroepen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden herroepen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt herroepen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb herroepen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben herroepen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben herroepen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben herroepen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben herroepen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt herroepen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft herroepen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft herroepen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| herriep | verleden tijd |
| herroep | gebiedende wijs |
| herroepe | aanvoegende wijs |
| herroepen | verleden tijd, deelwoord |
| herroepen te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| herroepen te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| herroepen te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| herroepen te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| herroepen te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| herroepen worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| herroepen zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| herroepen zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| herroepen zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| herroepen zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| herroepend | onvoltooid, deelwoord |
| is herroepen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is herroepen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben herroepen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te herroepen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen herroepen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart herroepen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren herroepen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren herroepen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren herroepen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was herroepen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was herroepen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was herroepen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd herroepen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd herroepen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd herroepen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden herroepen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden herroepen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden herroepen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt herroepen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word herroepen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden herroepen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden herroepen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden herroepen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt herroepen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt herroepen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal herroepen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal herroepen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal herroepen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal herroepen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal herroepen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal herroepen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal herroepen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal herroepen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal herroepen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal herroepen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn herroepen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn herroepen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn herroepen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt herroepen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou herroepen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou herroepen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou herroepen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou herroepen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou herroepen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou herroepen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou herroepen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou herroepen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou herroepen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou herroepen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou herroepen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou herroepen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden herroepen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden herroepen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden herroepen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden herroepen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden herroepen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden herroepen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden herroepen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden herroepen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden herroepen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden herroepen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden herroepen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden herroepen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt herroepen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt herroepen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt herroepen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt herroepen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen herroepen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen herroepen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen herroepen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen herroepen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen herroepen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen herroepen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen herroepen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen herroepen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen herroepen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen herroepen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen herroepen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen herroepen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen herroepen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult herroepen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult herroepen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult herroepen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult herroepen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
Afgeleid van roepen met het voorvoegsel her-.
Woordfamilie van herroepen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| herriep | verleden tijd | herroepen |
| herriepen | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | herroepen |
| herriept | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, enkelvoud, 2e persoon | herroepen |
| herroep | gebiedende wijs | herroepen |
| herroepe | aanvoegende wijs | herroepen |
| herroepend | onvoltooid deelwoord | herroepen |
| herroepende | woordvorm | herroepen |
| herroept | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | herroepen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van herroepen zijn vastgelegd.