Naar de inhoud

herroepen

zeggen dat iets, dat je eerder gezegd hebt, niet klopt

herroepen

werkwoord

Betekenis

  1. zeggen dat iets, dat je eerder gezegd hebt, niet klopt

Vervoeging van herroepen

herroepenhele werkwoord — herriepverleden tijd enkelvoud — herriepenverleden tijd meervoud — herroepenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik herroep herriep
jij herroept herriep
hij, zij, het herroept herriep
wij herroepen herriepen
jullie herroepen herriepen
zij herroepen herriepen
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben herroepen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent herroepen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is herroepen impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was herroepen impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd herroepen impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt herroepen impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal herroepen worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal herroepen zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou herroepen worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou herroepen zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had herroepen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had herroepen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had herroepen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden herroepen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden herroepen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden herroepen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt herroepen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb herroepen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben herroepen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben herroepen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben herroepen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben herroepen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt herroepen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft herroepen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft herroepen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
herriep verleden tijd
herroep gebiedende wijs
herroepe aanvoegende wijs
herroepen verleden tijd, deelwoord
herroepen te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
herroepen te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
herroepen te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
herroepen te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
herroepen te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
herroepen worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
herroepen zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
herroepen zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
herroepen zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
herroepen zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
herroepend onvoltooid, deelwoord
is herroepen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is herroepen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben herroepen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te herroepen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen herroepen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart herroepen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren herroepen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren herroepen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren herroepen voltooid, verleden tijd, derde persoon
was herroepen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was herroepen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was herroepen voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd herroepen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd herroepen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd herroepen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden herroepen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden herroepen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden herroepen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt herroepen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word herroepen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden herroepen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden herroepen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden herroepen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt herroepen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt herroepen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal herroepen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal herroepen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal herroepen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal herroepen hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal herroepen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal herroepen hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal herroepen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal herroepen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal herroepen zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal herroepen zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zijn herroepen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn herroepen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn herroepen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt herroepen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou herroepen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou herroepen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou herroepen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou herroepen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou herroepen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou herroepen hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou herroepen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou herroepen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou herroepen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou herroepen zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou herroepen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou herroepen zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden herroepen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden herroepen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden herroepen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden herroepen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden herroepen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden herroepen hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden herroepen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden herroepen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden herroepen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden herroepen zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden herroepen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden herroepen zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt herroepen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt herroepen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt herroepen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt herroepen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen herroepen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen herroepen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen herroepen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen herroepen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen herroepen hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen herroepen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen herroepen hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen herroepen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen herroepen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen herroepen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen herroepen zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen herroepen zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen herroepen zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult herroepen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult herroepen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult herroepen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult herroepen zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Woordvorm

  • voltooid deelwoord van herroepen

Vervoeging van herroepen

herroepenhele werkwoord — herriepverleden tijd enkelvoud — herriepenverleden tijd meervoud — herroepenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik herroep herriep
jij herroept herriep
hij, zij, het herroept herriep
wij herroepen herriepen
jullie herroepen herriepen
zij herroepen herriepen
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben herroepen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent herroepen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is herroepen impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was herroepen impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd herroepen impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt herroepen impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal herroepen worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal herroepen zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou herroepen worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou herroepen zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had herroepen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had herroepen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had herroepen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden herroepen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden herroepen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden herroepen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt herroepen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb herroepen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben herroepen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben herroepen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben herroepen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben herroepen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt herroepen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft herroepen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft herroepen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
herriep verleden tijd
herroep gebiedende wijs
herroepe aanvoegende wijs
herroepen verleden tijd, deelwoord
herroepen te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
herroepen te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
herroepen te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
herroepen te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
herroepen te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
herroepen worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
herroepen zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
herroepen zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
herroepen zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
herroepen zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
herroepend onvoltooid, deelwoord
is herroepen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is herroepen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben herroepen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te herroepen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen herroepen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart herroepen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren herroepen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren herroepen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren herroepen voltooid, verleden tijd, derde persoon
was herroepen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was herroepen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was herroepen voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd herroepen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd herroepen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd herroepen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden herroepen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden herroepen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden herroepen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt herroepen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word herroepen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden herroepen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden herroepen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden herroepen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt herroepen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt herroepen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal herroepen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal herroepen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal herroepen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal herroepen hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal herroepen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal herroepen hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal herroepen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal herroepen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal herroepen zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal herroepen zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zijn herroepen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn herroepen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn herroepen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt herroepen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou herroepen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou herroepen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou herroepen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou herroepen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou herroepen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou herroepen hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou herroepen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou herroepen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou herroepen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou herroepen zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou herroepen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou herroepen zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden herroepen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden herroepen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden herroepen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden herroepen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden herroepen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden herroepen hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden herroepen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden herroepen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden herroepen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden herroepen zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden herroepen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden herroepen zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt herroepen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt herroepen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt herroepen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt herroepen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen herroepen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen herroepen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen herroepen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen herroepen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen herroepen hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen herroepen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen herroepen hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen herroepen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen herroepen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen herroepen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen herroepen zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen herroepen zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen herroepen zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult herroepen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult herroepen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult herroepen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult herroepen zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

Afgeleid van roepen met het voorvoegsel her-.

Woordfamilie van herroepen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
herriep verleden tijd herroepen
herriepen aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon herroepen
herriept aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, enkelvoud, 2e persoon herroepen
herroep gebiedende wijs herroepen
herroepe aanvoegende wijs herroepen
herroepend onvoltooid deelwoord herroepen
herroepende woordvorm herroepen
herroept aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon herroepen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van herroepen zijn vastgelegd.

Verwante woorden

Veelgestelde vragen over herroepen

Wat is de betekenis van herroepen?
Herroepen is een werkwoord. De betekenis is: zeggen dat iets, dat je eerder gezegd hebt, niet klopt.
Hoe vervoeg ik herroepen?
Zo vervoeg je herroepen zo: de tegenwoordige tijd is herroep, de verleden tijd is herriep en het voltooid deelwoord is herroepen. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord herroepen is 16 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. H 4
  2. E 1
  3. R 2
  4. R 2
  5. O 1
  6. E 1
  7. P 3
  8. E 1
  9. N 1
  10. 16 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

herroepen levert met Wordfeud minimaal 17 en maximaal 75 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. H 4
  2. E 1
  3. R 2
  4. R 2
  5. O 1
  6. E 1
  7. P 4
  8. E 1
  9. N 1
  10. 17 zonder bonus
  11. 75 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (H) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

herroepen in het kort

herroepen staat in dit woordenboek als werkwoord. Van herroepen staan er 75 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort herroepen bij een woordfamilie van 8 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

herroepen: zeggen dat iets, dat je eerder gezegd hebt, niet klopt
Deel herroepen — standaardnederlands.nl