heropbouwen
werkwoord hɛrˈɔbɑuwə(n)Betekenis
- weer tot stand brengen
Hoe spreek je heropbouwen uit?
/hɛrˈɔbɑuwən/
Heropbouwen bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| h | hoed |
| ɛ | bed |
| r | rood |
| ɔ | bot |
| b | bak |
| ɑu | koud |
| w | quiz |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van heropbouwen
heropbouwenhele werkwoord — heropbouwdeverleden tijd enkelvoud — heropbouwdenverleden tijd meervoud — heropgebouwdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | heropbouw | heropbouwde |
| jij | heropbouwt | heropbouwde |
| hij, zij, het | heropbouwt | heropbouwde |
| wij | heropbouwen | heropbouwden |
| jullie | heropbouwen | heropbouwden |
| zij | heropbouwen | heropbouwden |
Alle 56 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| (bouwde weer op) | verleden tijd |
| bijzin heropbouwde | verleden tijd |
| ev. | gebiedende wijs |
| had heropgebouwd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had heropgebouwd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had heropgebouwd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden heropgebouwd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden heropgebouwd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden heropgebouwd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt heropgebouwd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb heropgebouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben heropgebouwd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben heropgebouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben heropgebouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben heropgebouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt heropgebouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft heropgebouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft heropgebouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| heropbouw | gebiedende wijs |
| heropbouwe | aanvoegende wijs |
| heropbouwend | onvoltooid, deelwoord |
| heropgebouwd | verleden tijd, deelwoord |
| heropgebouwd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| heropgebouwd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| te hebben heropgebouwd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te heropbouwen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen heropbouwen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal heropbouwen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal heropbouwen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal heropbouwen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal heropgebouwd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal heropgebouwd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal heropgebouwd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou heropbouwen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou heropbouwen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou heropbouwen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou heropgebouwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou heropgebouwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou heropgebouwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden heropbouwen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden heropbouwen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden heropbouwen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden heropgebouwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden heropgebouwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden heropgebouwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt heropbouwen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt heropgebouwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen heropbouwen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen heropbouwen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen heropbouwen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen heropbouwen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen heropgebouwd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen heropgebouwd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen heropgebouwd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult heropbouwen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult heropgebouwd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van opbouwen met het voorvoegsel her-
Woordfamilie van heropbouwen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| bouwde herop | woordvorm | heropbouwen |
| bouwden herop | woordvorm | heropbouwen |
| bouwen herop | woordvorm | heropbouwen |
| bouwt herop | woordvorm | heropbouwen |
| heropbouwde | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, enkelvoud, 1e persoon | heropbouwen |
| heropbouwden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | heropbouwen |
| heropbouwe | aanvoegende wijs | heropbouwen |
| heropbouwend | onvoltooid deelwoord | heropbouwen |
| heropbouwende | woordvorm | heropbouwen |
| heropbouwt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | heropbouwen |
| heropgebouwd | voltooid deelwoord | heropbouwen |
| heropgebouwde | woordvorm | heropbouwen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van heropbouwen zijn vastgelegd.