Naar de inhoud

hernieuwen

door nieuwe kracht weer nieuw maken, nieuw leven inblazen

hernieuwen

werkwoord /hɛrˈniwə(n)/

Betekenis

  1. door nieuwe kracht weer nieuw maken, nieuw leven inblazen
  2. renoveren
  3. opnieuw doen, vernieuwen, weer nieuw maken

Hoe spreek je hernieuwen uit?

/hɛrˈniwən/

Hernieuwen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.

De tekens in /hɛrˈniwən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
h hoed
ɛ bed
r rood
n nek
i riet
w quiz
ə de
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van hernieuwen

hernieuwenhele werkwoord — hernieuwdeverleden tijd enkelvoud — hernieuwdenverleden tijd meervoud — hernieuwdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik hernieuw hernieuwde
jij hernieuwt hernieuwde
hij, zij, het hernieuwt hernieuwde
wij hernieuwen hernieuwden
jullie hernieuwen hernieuwden
zij hernieuwen hernieuwden
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben hernieuwd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent hernieuwd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is hernieuwd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was hernieuwd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd hernieuwd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt hernieuwd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal hernieuwd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal hernieuwd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou hernieuwd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou hernieuwd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had hernieuwd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had hernieuwd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had hernieuwd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden hernieuwd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden hernieuwd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden hernieuwd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt hernieuwd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb hernieuwd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben hernieuwd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben hernieuwd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben hernieuwd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben hernieuwd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt hernieuwd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft hernieuwd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft hernieuwd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hernieuw gebiedende wijs
hernieuwd verleden tijd, deelwoord
hernieuwd te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
hernieuwd te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
hernieuwd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
hernieuwd te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
hernieuwd te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
hernieuwd worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hernieuwd zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hernieuwd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
hernieuwd zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
hernieuwd zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
hernieuwde verleden tijd
hernieuwe aanvoegende wijs
hernieuwend onvoltooid, deelwoord
is hernieuwd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is hernieuwd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben hernieuwd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te hernieuwen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen hernieuwen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart hernieuwd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren hernieuwd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren hernieuwd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren hernieuwd voltooid, verleden tijd, derde persoon
was hernieuwd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was hernieuwd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was hernieuwd voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd hernieuwd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd hernieuwd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd hernieuwd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden hernieuwd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden hernieuwd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden hernieuwd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt hernieuwd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word hernieuwd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden hernieuwd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden hernieuwd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden hernieuwd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt hernieuwd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt hernieuwd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal hernieuwd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal hernieuwd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal hernieuwd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal hernieuwd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal hernieuwd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal hernieuwd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal hernieuwd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal hernieuwen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal hernieuwen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal hernieuwen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zijn hernieuwd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn hernieuwd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn hernieuwd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt hernieuwd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou hernieuwd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou hernieuwd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou hernieuwd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou hernieuwd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou hernieuwd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou hernieuwd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou hernieuwd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou hernieuwd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou hernieuwd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou hernieuwen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou hernieuwen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou hernieuwen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden hernieuwd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden hernieuwd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden hernieuwd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden hernieuwd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden hernieuwd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden hernieuwd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden hernieuwd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden hernieuwd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden hernieuwd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden hernieuwen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden hernieuwen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden hernieuwen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt hernieuwd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt hernieuwd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt hernieuwd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt hernieuwen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen hernieuwd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen hernieuwd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen hernieuwd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen hernieuwd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen hernieuwd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen hernieuwd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen hernieuwd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen hernieuwd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen hernieuwd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen hernieuwen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen hernieuwen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen hernieuwen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen hernieuwen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult hernieuwd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult hernieuwd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult hernieuwd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult hernieuwen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Woordfamilie van hernieuwen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
hernieuw gebiedende wijs hernieuwen
hernieuwd voltooid deelwoord hernieuwen
hernieuwde verleden tijd hernieuwen
hernieuwden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon hernieuwen
hernieuwe aanvoegende wijs hernieuwen
hernieuwend onvoltooid deelwoord hernieuwen
hernieuwende woordvorm hernieuwen
hernieuwt aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon hernieuwen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van hernieuwen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over hernieuwen

Hoe spreek je hernieuwen uit?
De uitspraak van hernieuwen is: /hɛrˈniwə(n)/. Dit is het internationaal fonetisch alfabet, waarmee elke klank apart wordt genoteerd.
Wat betekent hernieuwen?
Hernieuwen is een werkwoord. Het woord betekent: door nieuwe kracht weer nieuw maken, nieuw leven inblazen. Deze pagina beschrijft 3 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je hernieuwen?
Je vervoegt hernieuwen als volgt: de tegenwoordige tijd is hernieuw, de verleden tijd is hernieuwde en het voltooid deelwoord is hernieuwd. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord hernieuwen is 21 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. H 4
  2. E 1
  3. R 2
  4. N 1
  5. I 1
  6. E 1
  7. U 4
  8. W 5
  9. E 1
  10. N 1
  11. 21 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

hernieuwen levert met Wordfeud minimaal 20 en maximaal 90 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. H 4
  2. E 1
  3. R 2
  4. N 1
  5. I 2
  6. E 1
  7. U 2
  8. W 5
  9. E 1
  10. N 1
  11. 20 zonder bonus
  12. 90 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (W) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

hernieuwen in het kort

hernieuwen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 3 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van hernieuwen zijn 75 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort hernieuwen bij een woordfamilie van 8 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

hernieuwen: door nieuwe kracht weer nieuw maken, nieuw leven inblazen
Deel hernieuwen — standaardnederlands.nl