herlezen
werkwoordBetekenis
- opnieuw lezen
Vervoeging van herlezen
herlezenhele werkwoord — herlasverleden tijd enkelvoud — herlazenverleden tijd meervoud — herlezenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | herlees | herlas |
| jij | herleest | herlaast |
| hij, zij, het | herleest | herlas |
| wij | herlezen | herlazen |
| jullie | herlezen | herlazen |
| zij | herlezen | herlazen |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben herlezen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent herlezen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is herlezen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was herlezen | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd herlezen | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt herlezen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal herlezen worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal herlezen zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou herlezen worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou herlezen zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had herlezen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had herlezen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had herlezen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden herlezen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden herlezen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden herlezen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt herlezen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb herlezen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben herlezen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben herlezen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben herlezen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben herlezen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt herlezen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft herlezen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft herlezen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| herlas | verleden tijd |
| herlees | gebiedende wijs |
| herleze | aanvoegende wijs |
| herlezen | verleden tijd, deelwoord |
| herlezen te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| herlezen te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| herlezen te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| herlezen te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| herlezen te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| herlezen worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| herlezen zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| herlezen zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| herlezen zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| herlezen zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| herlezend | onvoltooid, deelwoord |
| is herlezen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is herlezen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben herlezen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te herlezen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen herlezen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart herlezen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren herlezen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren herlezen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren herlezen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was herlezen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was herlezen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was herlezen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd herlezen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd herlezen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd herlezen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden herlezen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden herlezen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden herlezen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt herlezen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word herlezen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden herlezen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden herlezen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden herlezen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt herlezen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt herlezen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal herlezen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal herlezen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal herlezen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal herlezen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal herlezen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal herlezen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal herlezen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal herlezen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal herlezen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal herlezen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn herlezen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn herlezen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn herlezen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt herlezen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou herlezen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou herlezen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou herlezen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou herlezen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou herlezen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou herlezen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou herlezen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou herlezen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou herlezen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou herlezen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou herlezen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou herlezen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden herlezen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden herlezen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden herlezen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden herlezen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden herlezen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden herlezen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden herlezen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden herlezen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden herlezen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden herlezen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden herlezen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden herlezen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt herlezen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt herlezen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt herlezen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt herlezen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen herlezen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen herlezen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen herlezen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen herlezen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen herlezen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen herlezen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen herlezen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen herlezen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen herlezen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen herlezen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen herlezen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen herlezen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen herlezen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult herlezen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult herlezen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult herlezen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult herlezen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Woordvorm
- voltooid deelwoord van herlezen
Vervoeging van herlezen
herlezenhele werkwoord — herlasverleden tijd enkelvoud — herlazenverleden tijd meervoud — herlezenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | herlees | herlas |
| jij | herleest | herlaast |
| hij, zij, het | herleest | herlas |
| wij | herlezen | herlazen |
| jullie | herlezen | herlazen |
| zij | herlezen | herlazen |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben herlezen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent herlezen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is herlezen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was herlezen | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd herlezen | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt herlezen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal herlezen worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal herlezen zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou herlezen worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou herlezen zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had herlezen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had herlezen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had herlezen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden herlezen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden herlezen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden herlezen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt herlezen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb herlezen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben herlezen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben herlezen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben herlezen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben herlezen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt herlezen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft herlezen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft herlezen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| herlas | verleden tijd |
| herlees | gebiedende wijs |
| herleze | aanvoegende wijs |
| herlezen | verleden tijd, deelwoord |
| herlezen te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| herlezen te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| herlezen te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| herlezen te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| herlezen te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| herlezen worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| herlezen zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| herlezen zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| herlezen zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| herlezen zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| herlezend | onvoltooid, deelwoord |
| is herlezen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is herlezen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben herlezen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te herlezen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen herlezen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart herlezen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren herlezen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren herlezen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren herlezen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was herlezen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was herlezen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was herlezen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd herlezen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd herlezen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd herlezen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden herlezen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden herlezen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden herlezen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt herlezen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word herlezen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden herlezen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden herlezen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden herlezen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt herlezen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt herlezen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal herlezen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal herlezen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal herlezen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal herlezen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal herlezen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal herlezen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal herlezen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal herlezen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal herlezen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal herlezen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn herlezen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn herlezen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn herlezen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt herlezen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou herlezen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou herlezen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou herlezen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou herlezen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou herlezen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou herlezen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou herlezen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou herlezen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou herlezen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou herlezen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou herlezen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou herlezen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden herlezen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden herlezen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden herlezen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden herlezen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden herlezen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden herlezen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden herlezen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden herlezen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden herlezen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden herlezen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden herlezen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden herlezen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt herlezen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt herlezen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt herlezen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt herlezen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen herlezen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen herlezen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen herlezen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen herlezen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen herlezen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen herlezen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen herlezen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen herlezen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen herlezen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen herlezen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen herlezen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen herlezen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen herlezen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult herlezen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult herlezen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult herlezen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult herlezen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
Afgeleid van lezen met het voorvoegsel her-.
Woordfamilie van herlezen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| herlas | verleden tijd | herlezen |
| herlazen | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | herlezen |
| herlees | gebiedende wijs | herlezen |
| herleest | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | herlezen |
| herleze | aanvoegende wijs | herlezen |
| herlezend | onvoltooid deelwoord | herlezen |
| herlezende | woordvorm | herlezen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van herlezen zijn vastgelegd.