herbouwen
werkwoordBetekenis
- opnieuw opbouwen
- tweede betekenisomschrijving
- enz.
Vervoeging van herbouwen
herbouwenhele werkwoord — herbouwdeverleden tijd enkelvoud — herbouwdenverleden tijd meervoud — herbouwdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | herbouw | herbouwde |
| jij | herbouwt | herbouwde |
| hij, zij, het | herbouwt | herbouwde |
| wij | herbouwen | herbouwden |
| jullie | herbouwen | herbouwden |
| zij | herbouwen | herbouwden |
Alle 88 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| er is herbouwd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was herbouwd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd herbouwd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt herbouwd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal herbouwd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal herbouwd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou herbouwd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou herbouwd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had herbouwd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had herbouwd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had herbouwd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden herbouwd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden herbouwd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden herbouwd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt herbouwd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb herbouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben herbouwd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben herbouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben herbouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben herbouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt herbouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft herbouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft herbouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| herbouw | gebiedende wijs |
| herbouwd | verleden tijd, deelwoord |
| herbouwd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| herbouwd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| herbouwd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| herbouwd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| herbouwd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| herbouwd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| herbouwd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| herbouwd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| herbouwd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| herbouwd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| herbouwde | verleden tijd |
| herbouwe | aanvoegende wijs |
| herbouwend | onvoltooid, deelwoord |
| is herbouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben herbouwd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te herbouwen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen herbouwen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waren herbouwd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was herbouwd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd herbouwd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werden herbouwd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| worden herbouwd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt herbouwd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| zal herbouwd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal herbouwd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal herbouwd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal herbouwd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal herbouwd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal herbouwen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal herbouwen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal herbouwen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn herbouwd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zou herbouwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou herbouwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou herbouwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou herbouwd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou herbouwd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou herbouwen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou herbouwen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou herbouwen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden herbouwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden herbouwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden herbouwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden herbouwd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden herbouwd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden herbouwen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden herbouwen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden herbouwen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt herbouwd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt herbouwen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen herbouwd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen herbouwd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen herbouwd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen herbouwd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen herbouwd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen herbouwen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen herbouwen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen herbouwen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen herbouwen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult herbouwd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult herbouwen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Afgeleid van bouwen met het voorvoegsel her-.
Woordfamilie van herbouwen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| herbouwd | voltooid deelwoord | herbouwen |
| herbouwde | verleden tijd | herbouwen |
| herbouwden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | herbouwen |
| herbouwe | aanvoegende wijs | herbouwen |
| herbouwend | onvoltooid deelwoord | herbouwen |
| herbouwende | woordvorm | herbouwen |
| herbouwt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | herbouwen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van herbouwen zijn vastgelegd.