Naar de inhoud

herbouwen

opnieuw opbouwen

herbouwen

werkwoord

Betekenis

  1. opnieuw opbouwen
  2. tweede betekenisomschrijving
  3. enz.

Vervoeging van herbouwen

herbouwenhele werkwoord — herbouwdeverleden tijd enkelvoud — herbouwdenverleden tijd meervoud — herbouwdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik herbouw herbouwde
jij herbouwt herbouwde
hij, zij, het herbouwt herbouwde
wij herbouwen herbouwden
jullie herbouwen herbouwden
zij herbouwen herbouwden
Alle 88 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
er is herbouwd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was herbouwd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd herbouwd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt herbouwd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal herbouwd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal herbouwd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou herbouwd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou herbouwd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had herbouwd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had herbouwd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had herbouwd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden herbouwd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden herbouwd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden herbouwd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt herbouwd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb herbouwd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben herbouwd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben herbouwd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben herbouwd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben herbouwd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt herbouwd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft herbouwd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft herbouwd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
herbouw gebiedende wijs
herbouwd verleden tijd, deelwoord
herbouwd te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
herbouwd te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
herbouwd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
herbouwd te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
herbouwd te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
herbouwd worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
herbouwd zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
herbouwd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
herbouwd zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
herbouwd zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
herbouwde verleden tijd
herbouwe aanvoegende wijs
herbouwend onvoltooid, deelwoord
is herbouwd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben herbouwd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te herbouwen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen herbouwen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waren herbouwd voltooid, verleden tijd, derde persoon
was herbouwd voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd herbouwd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werden herbouwd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
worden herbouwd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt herbouwd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
zal herbouwd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal herbouwd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal herbouwd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal herbouwd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal herbouwd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal herbouwen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal herbouwen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal herbouwen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zijn herbouwd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zou herbouwd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou herbouwd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou herbouwd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou herbouwd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou herbouwd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou herbouwen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou herbouwen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou herbouwen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden herbouwd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden herbouwd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden herbouwd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden herbouwd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden herbouwd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden herbouwen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden herbouwen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden herbouwen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt herbouwd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt herbouwen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen herbouwd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen herbouwd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen herbouwd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen herbouwd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen herbouwd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen herbouwen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen herbouwen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen herbouwen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen herbouwen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult herbouwd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult herbouwen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Herkomst

Afgeleid van bouwen met het voorvoegsel her-.

Woordfamilie van herbouwen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
herbouwd voltooid deelwoord herbouwen
herbouwde verleden tijd herbouwen
herbouwden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon herbouwen
herbouwe aanvoegende wijs herbouwen
herbouwend onvoltooid deelwoord herbouwen
herbouwende woordvorm herbouwen
herbouwt aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon herbouwen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van herbouwen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over herbouwen

Wat betekent herbouwen?
Herbouwen is een werkwoord. Het woord betekent: opnieuw opbouwen. Deze pagina beschrijft 3 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je herbouwen?
Je vervoegt herbouwen als volgt: de tegenwoordige tijd is herbouw, de verleden tijd is herbouwde en het voltooid deelwoord is herbouwd. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord herbouwen is 22 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. H 4
  2. E 1
  3. R 2
  4. B 3
  5. O 1
  6. U 4
  7. W 5
  8. E 1
  9. N 1
  10. 22 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

herbouwen levert met Wordfeud minimaal 21 en maximaal 93 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. H 4
  2. E 1
  3. R 2
  4. B 4
  5. O 1
  6. U 2
  7. W 5
  8. E 1
  9. N 1
  10. 21 zonder bonus
  11. 93 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (W) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

herbouwen in het kort

herbouwen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 3 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van herbouwen zijn 65 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort herbouwen bij een woordfamilie van 7 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

herbouwen: opnieuw opbouwen
Deel herbouwen — standaardnederlands.nl