herbouw
zelfstandig naamwoord, werkwoord ˈhɛrbɑuBetekenis
- het opnieuw opbouwen van iets
Hoe spreek je herbouw uit?
/ˈhɛrbɑu/
Herbouw bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| h | hoed |
| ɛ | bed |
| r | rood |
| b | bak |
| ɑu | koud |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — masculine
- activiteit waardoor iets opnieuw tot stand komt
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van herbouwen
- gebiedende wijs van herbouwen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van herbouwen
Vervoeging van herbouw
herbouwhele werkwoord
Alle 1 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| herbóúw | canonical |
Herkomst
zn: naamwoord van handeling van herbouwen ww (zonder -en)