herbeleven
werkwoordBetekenis
- opnieuw beleven
Vervoeging van herbeleven
herbelevenhele werkwoord — herbeleefdeverleden tijd enkelvoud — herbeleefdenverleden tijd meervoud — herbeleefdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | herbeleef | herbeleefde |
| jij | herbeleeft | herbeleefde |
| hij, zij, het | herbeleeft | herbeleefde |
| wij | herbeleven | herbeleefden |
| jullie | herbeleven | herbeleefden |
| zij | herbeleven | herbeleefden |
Alle 27 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| herbeleef | gebiedende wijs |
| herbeleefd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| herbeleefd | verleden tijd, deelwoord |
| herbeleefd te zullen | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| herbeleefd zullen | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| herbeleefde | verleden tijd |
| herbeleve | aanvoegende wijs |
| herbelevend | onvoltooid, deelwoord |
| te herbeleefd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te herbeleven | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen herbeleven | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal herbeleven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal herbeleven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal herbeleven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou herbeleven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou herbeleven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou herbeleven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden herbeleven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden herbeleven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden herbeleven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt herbeleven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen herbeleven | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen herbeleven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen herbeleven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen herbeleven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult herbeleven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van beleven met het voorvoegsel her-
Woordfamilie van herbeleven
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| herbeleef | gebiedende wijs | herbeleven |
| herbeleefd | voltooid deelwoord | herbeleven |
| herbeleefde | verleden tijd | herbeleven |
| herbeleefden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | herbeleven |
| herbeleeft | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | herbeleven |
| herbeleve | aanvoegende wijs | herbeleven |
| herbelevend | onvoltooid deelwoord | herbeleven |
| herbelevende | woordvorm | herbeleven |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van herbeleven zijn vastgelegd.