gehemelte
zelfstandig naamwoordBetekenis
- de gebogen scheidingswand tussen de mondholte en de neusholte.
zelfstandig naamwoord — neuter
- de gebogen scheidingswand tussen de mondholte en de neusholte
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| gehemelten | meervoud |
| gehemeltes | meervoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘bovenwand van mondholte’ voor het eerst aangetroffen in 1514
Woordfamilie van gehemelte
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gehemelten | meervoud | gehemelte |
| gehemeltes | meervoud | gehemelte |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van gehemelte zijn vastgelegd.