haven
zelfstandig naamwoord, werkwoord /ɦavə(n)/Betekenis
- natuurlijke of aangelegde aanlegplaats voor schepen
- (beschutte)
- toevluchtsoord, veilige plek
Hoe spreek je haven uit?
/havən/
Haven bestaat uit twee lettergrepen.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| h | hoed |
| a | maan |
| v | vis |
| ə | de |
| n | nek |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| havens | meervoud |
| haventje | verkleinwoord, enkelvoud |
| haventjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord haaf
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| havens | meervoud |
| haventje | verkleinwoord, enkelvoud |
| haventjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van havenen
- gebiedende wijs van havenen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van havenen
Vervoeging van haven
havenhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘ligplaats voor schepen’ aangetroffen vanaf 1240
Woordfamilie van haven
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| havens | meervoud | haven |
| haventje | verkleinwoord | haven |
| haventjes | verkleinwoord meervoud | haven |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van haven zijn vastgelegd.