harpen
werkwoord, zelfstandig naamwoordBetekenis
- de harp bespelen
- zeven
Vervoeging van harpen
harpenhele werkwoord — harpteverleden tijd enkelvoud — harptenverleden tijd meervoud — geharptvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | harp | harpte |
| jij | harpt | harpte |
| hij, zij, het | harpt | harpte |
| wij | harpen | harpten |
| jullie | harpen | harpten |
| zij | harpen | harpten |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| geharpt | verleden tijd, deelwoord |
| geharpt te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geharpt zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geharpt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geharpt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geharpt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geharpt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geharpt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geharpt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geharpt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| harp | gebiedende wijs |
| harpe | aanvoegende wijs |
| harpend | onvoltooid, deelwoord |
| harpte | verleden tijd |
| heb geharpt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geharpt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geharpt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geharpt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geharpt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geharpt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geharpt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geharpt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te harpen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben geharpt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen harpen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal geharpt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geharpt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geharpt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal harpen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal harpen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal harpen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou geharpt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geharpt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geharpt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou harpen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou harpen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou harpen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geharpt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geharpt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geharpt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden harpen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden harpen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden harpen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geharpt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt harpen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geharpt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geharpt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geharpt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen harpen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen harpen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen harpen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen harpen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult geharpt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult harpen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord harp
Herkomst
afgeleid van harp met het achtervoegsel -en
Woordfamilie van harpen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| geharpt | voltooid deelwoord | harpen |
| harpe | aanvoegende wijs | harpen |
| harpend | onvoltooid deelwoord | harpen |
| harpende | woordvorm | harpen |
| harpt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | harpen |
| harpte | verleden tijd | harpen |
| harpten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | harpen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van harpen zijn vastgelegd.