harp
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- een instrument met een driehoekige vorm met voor elke toon een aparte snaar
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| harpen | meervoud |
| harpje | verkleinwoord, enkelvoud |
| harpjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van harpen
- gebiedende wijs van harpen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van harpen
Vervoeging van harp
harphele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘snaarinstrument’ voor het eerst aangetroffen in 1240
Woordfamilie van harp
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| harpje | verkleinwoord | harp |
| harpjes | verkleinwoord meervoud | harp |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van harp zijn vastgelegd.