hark
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- tuingereedschap aan lange steel, met een reeks tanden aan de onderzijde
- iemand die zich stijf gedraagt
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| harken | meervoud |
| harkje | verkleinwoord, enkelvoud |
| harkjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van harken
- gebiedende wijs van harken
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van harken
Vervoeging van hark
harkhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘tuingereedschap’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1420
Woordfamilie van hark
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| harkje | verkleinwoord | hark |
| harkjes | verkleinwoord meervoud | hark |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van hark zijn vastgelegd.