hamburger
zelfstandig naamwoord ˈhɑmbʏrɣərBetekenis
- schijf rundvlees die gebakken of gegrild wordt, een burger
- een broodje met voornoemde schijf dat wordt versierd met wat sla, kappertjes, uitjes, (worcester)saus, zout, peper, etc.
- (broodje met schijf vlees)
Hoe spreek je hamburger uit?
/ˈhɑmbʏrxər/
Hamburger bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| h | hoed |
| ɑ | bad |
| m | maan |
| b | bak |
| ʏ | put |
| r | rood |
| x | acht |
| ə | de |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| hamburgers | meervoud |
| hamburgertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| hamburgertjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘broodje met gehakt’ voor het eerst aangetroffen in 1938
Woordfamilie van hamburger
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| hamburgers | meervoud | hamburger |
| hamburgertje | verkleinwoord | hamburger |
| hamburgertjes | verkleinwoord meervoud | hamburger |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van hamburger zijn vastgelegd.