kaasburger
zelfstandig naamwoordBetekenis
- broodje met een hamburger en een plak kaas
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| kaasburgers | meervoud |
| kaasburgertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| kaasburgertjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘broodje gehakte biefstuk met kaas’ voor het eerst aangetroffen in 1975
Woordfamilie van kaasburger
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| kaasburgers | meervoud | kaasburger |
| kaasburgertje | verkleinwoord | kaasburger |
| kaasburgertjes | verkleinwoord meervoud | kaasburger |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van kaasburger zijn vastgelegd.