Naar de inhoud

halvezolen

schoenen van halve zolen voorzien

halvezolen is meer dan één woord

halvezolen

werkwoord, zelfstandig naamwoord

Betekenis

  1. schoenen van halve zolen voorzien

Vervoeging van halvezolen

halvezolenhele werkwoord — halvezooldeverleden tijd enkelvoud — halvezooldenverleden tijd meervoud — gehalvezooldvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik halvezool halvezoolde
jij halvezoolt halvezoolde
hij, zij, het halvezoolt halvezoolde
wij halvezolen halvezoolden
jullie halvezolen halvezoolden
zij halvezolen halvezoolden
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ev. gebiedende wijs
gehalvezoold verleden tijd, deelwoord
gehalvezoold te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gehalvezoold zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had gehalvezoold voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gehalvezoold voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gehalvezoold voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gehalvezoold voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gehalvezoold voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gehalvezoold voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gehalvezoold voltooid, verleden tijd, tweede persoon
halvezole aanvoegende wijs
halvezolend onvoltooid, deelwoord
halvezool gebiedende wijs
halvezoolde verleden tijd
heb gehalvezoold voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gehalvezoold actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gehalvezoold voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gehalvezoold voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gehalvezoold voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gehalvezoold voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gehalvezoold voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gehalvezoold voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te halvezolen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te hebben gehalvezoold actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen halvezolen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal gehalvezoold hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gehalvezoold hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gehalvezoold hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal halvezolen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal halvezolen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal halvezolen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zou gehalvezoold hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gehalvezoold hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gehalvezoold hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou halvezolen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou halvezolen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou halvezolen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden gehalvezoold hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gehalvezoold hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gehalvezoold hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden halvezolen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden halvezolen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden halvezolen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt gehalvezoold hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt halvezolen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen gehalvezoold hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gehalvezoold hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gehalvezoold hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen halvezolen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen halvezolen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen halvezolen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen halvezolen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult gehalvezoold hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult halvezolen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Woordvorm

  • meervoud van het zelfstandig naamwoord halvezool

Woordfamilie van halvezolen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
gehalvezoold voltooid deelwoord halvezolen
halvezole aanvoegende wijs halvezolen
halvezolend onvoltooid deelwoord halvezolen
halvezolende woordvorm halvezolen
halvezoolde verleden tijd halvezolen
halvezoolden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon halvezolen
halvezoolt aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon halvezolen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van halvezolen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over halvezolen

Wat is de betekenis van halvezolen?
Halvezolen is een werkwoord. De betekenis is: schoenen van halve zolen voorzien.
Hoe vervoeg ik halvezolen?
Zo vervoeg je halvezolen zo: de tegenwoordige tijd is halvezool, de verleden tijd is halvezoolde en het voltooid deelwoord is gehalvezoold. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord halvezolen is 23 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. H 4
  2. A 1
  3. L 3
  4. V 4
  5. E 1
  6. Z 4
  7. O 1
  8. L 3
  9. E 1
  10. N 1
  11. 23 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

halvezolen levert met Wordfeud minimaal 24 en maximaal 102 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. H 4
  2. A 1
  3. L 3
  4. V 4
  5. E 1
  6. Z 5
  7. O 1
  8. L 3
  9. E 1
  10. N 1
  11. 24 zonder bonus
  12. 102 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (Z) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

halvezolen in het kort

halvezolen is zowel werkwoord als zelfstandig naamwoord. Wat het is, hangt af van de zin. Van halvezolen staan er 32 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort halvezolen bij een woordfamilie van 7 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

halvezolen: schoenen van halve zolen voorzien
Deel halvezolen — standaardnederlands.nl