gunnen
werkwoord ˈɣʏnə(n)Betekenis
- voldoening hebben dat iemand anders iets heeft of verkrijgt
Hoe spreek je gunnen uit?
/ˈxʏnən/
Gunnen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| x | acht |
| ʏ | put |
| n | nek |
| ə | de |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van gunnen
gunnenhele werkwoord — gundeverleden tijd enkelvoud — gundenverleden tijd meervoud — gegundvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | gun | gunde |
| jij | gunt | gunde |
| hij, zij, het | gunt | gunde |
| wij | gunnen | gunden |
| jullie | gunnen | gunden |
| zij | gunnen | gunden |
Alle 88 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| er is gegund | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gegund | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gegund | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gegund | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gegund worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gegund zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gegund worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gegund zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gegund | verleden tijd, deelwoord |
| gegund te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gegund te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gegund te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gegund te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gegund te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gegund worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gegund zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gegund zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gegund zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gegund zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gun | gebiedende wijs |
| gunde | verleden tijd |
| gunne | aanvoegende wijs |
| gunnend | onvoltooid, deelwoord |
| had gegund | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gegund | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gegund | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gegund | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gegund | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gegund | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gegund | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gegund | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gegund | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gegund | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gegund | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gegund | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gegund | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gegund | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gegund | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is gegund | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te gunnen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gegund | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen gunnen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waren gegund | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gegund | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gegund | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werden gegund | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| worden gegund | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gegund | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gegund hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gegund hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gegund hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gegund worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gegund zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gunnen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal gunnen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal gunnen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn gegund | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zou gegund hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gegund hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gegund hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gegund worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gegund zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gunnen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou gunnen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou gunnen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gegund hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gegund hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gegund hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gegund worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gegund zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gunnen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gunnen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gunnen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gegund hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gunnen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gegund hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gegund hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gegund hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gegund worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gegund zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gunnen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen gunnen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gunnen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gunnen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gegund hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gunnen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
van Middelnederlands gonnen, in de betekenis van ‘verlenen’ aangetroffen vanaf 1260
Woordfamilie van gunnen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gegund | voltooid deelwoord | gunnen |
| gegunde | woordvorm | gunnen |
| gun | gebiedende wijs | gunnen |
| gunde | verleden tijd | gunnen |
| gunden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | gunnen |
| gunne | aanvoegende wijs | gunnen |
| gunnend | onvoltooid deelwoord | gunnen |
| gunnende | woordvorm | gunnen |
| gunt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | gunnen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van gunnen zijn vastgelegd.