gunst
zelfstandig naamwoord, tussenwerpsel ɣʏnstBetekenis
- vrijwillig iemand ter wille te zijn door het verlenen van een dienst of goed
Hoe spreek je gunst uit?
/xʏnst/
Gunst bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| x | acht |
| ʏ | put |
| n | nek |
| s | sok |
| t | tak |
zelfstandig naamwoord
- vrijwillig iemand ter wille te zijn door het verlenen van een dienst of goed, zonder dat de ontvanger er recht op heeft of dat de gever er toe verplicht is
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| gunsten | meervoud |
| gunstje | verkleinwoord, enkelvoud |
| gunstjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘welwillendheid’ voor het eerst aangetroffen in 1240
Woordfamilie van gunst
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gunste | masculine | gunst |
| gunsten | meervoud | gunst |
| gunstje | verkleinwoord | gunst |
| gunstjes | verkleinwoord meervoud | gunst |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van gunst zijn vastgelegd.